Training in vrijheid

Onbegrijpelijk vind ik het. De Israëlieten zijn bevrijd van de slavernij in Egypte. Ze zuchtten onder hun zware werk, riepen tot God om bevrijding. Hij bevrijdde ze, met veel machtsvertoon. En via Mozes en Aäron voerde hij ze de woestijn in, op weg naar het beloofde land. Je zou denken dat ze blij zijn. Elke dag dankbaar stilstaan bij hun vrijheid, hoe moeilijk de weg ook valt. Heldhaftige uitspraken verwacht je als: ‘liever sterven in vrijheid dan het slavenleven leven dat geen leven is’. Maar het volk mort, zodra de maag knort. Lees verder

Zand

Pas toen er zandkorrels uit hun midden weg begonnen te vallen, realiseerden de andere korrels zich dat ze in een zandloper zaten. Wie die ooit had omgedraaid was niemand meer bekend. En ze hadden het steeds goed gehad samen, ieder op haar of zijn eigen plekje tussen de andere korrels. Met boven zich en onder zich zandkorrels zover je kijken kon. Lees verder

Tabbertcaravan – Preekje

Bij het verhaal van de Barmhartige Samaritaan

We waren op vakantie in Tsjechië. Het was 1994, kort na de val van de muur. De wegen waren slecht, het eten goedkoop, en de mensen spraken nauwelijks Engels. Volgens mij was dat ook nog de tijd dat er bij publieke toiletten mensen stonden die als job hadden om iedere bezoeker drie velletjes toiletpapier te overhandigen. Meer niet. Lees verder

Struisvogel wil appels

Het was Herfst geworden en de appelboom bij de open plek in het bos zat vol appels. Als er één in het bos van appels hield, dan was het Struisvogel wel. Verzot op appels was ze. Maar nu had ze een probleem. Ze kon er niet bij. De appels in de boom hingen dit jaar heel erg hoog. En Struisvogel was sterk en struis, maar vliegen als een vogel kon ze niet. Ze had best lange poten en een lange nek maar ze was niet lang genoeg. En ze had zoveel trek in een sappige appel. Hoe langer ze omhoog keek, des te groter werd haar verlangen. Ze moest en zou er eentje plukken. Maar hoe? Hoe? Lees verder

Je kinderen zijn je kinderen niet

En hij zei:

Je kinderen zijn je kinderen niet.
Zij zijn de zonen en dochters van ‘s levens hunkering naar zichzelf.

Zij komen door je, maar zijn niet van je,
en hoewel ze bij je zijn, behoren ze je niet toe.

Je mag hen je liefde geven, maar niet je gedachten,
want zij hebben hun eigen gedachten.

Je mag hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen,
want hun zielen toeven in het huis van morgen,
dat je niet bezoeken kunt, zelfs niet in je dromen.

Je mag proberen gelijk hun te worden,
maar tracht niet hen aan jou gelijk te maken.

Want het leven gaat niet terug,
noch blijft het dralen bij gisteren.

Jullie zijn de bogen, waarmee je kinderen als levende pijlen worden weggeschoten.
De boogschutter ziet het doel op de weg van het oneindige,
en hij buigt je met zijn kracht opdat zijn pijlen snel en ver zullen gaan.

Laat het gebogen worden door de hand van de boogschutter een vreugde voor je zijn:
want zoals hij de vliegende pijl liefheeft, zo mint hij ook de boog die standvastig is.

Kahlil Gibran, De Profeet