Het monster dat kleiner werd

Ver naar het Zuiden, voorbij de Grote Waterval, was een klein dorpje waar een zekere jongen leefde bij zijn oom. Die oom stond bekend als de Dappere, want hij was een jager en had enorm veel grote dieren gedood, en deed afschuwelijk tegen zijn neefje omdat hij die een lafaard vond. Hij probeerde hem bang te maken door verhalen te vertellen over de verschrikkelijke monsters die volgens hem in het bos leefden, en de jongen geloofde wat hem werd verteld, want was het niet zijn oom, de Dappere, de Machtige Jager, die het hem vertelde?

Als hij afdaalde naar de rivier dacht hij dat de krokodillen hem zouden opvreten. En als hij het bos in ging, dacht hij dat iedere schaduw een slang verborg hield en dat harige spinnen onder de bladeren zaten te wachten tot ze hem konden bespringen. Het meest dreigend voelde altijd het pad richting het dorp, en als hij dat moest nemen, deed hij dat meestal rennend.

Op een dag, toen hij op het meest enge deel van het pad was, hoorde hij een stem roepen vanuit de schaduwen onder de donkerste bomen. Hij deed zijn vingers in zijn oren en rende nog sneller, maar hij kon de stem nog steeds horen. Zijn angst gierde als een storm door hem heen, maar toch kon hij ook zijn hart nog horen en zijn hart zei hem:
‘Misschien is degene die daar roept nog wel banger dan jij. Jij weet hoe het is om bang te zijn. Denk je niet dat je zou moeten helpen?’
Dus hij haalde zijn vingers uit zijn oren, balde zijn vuisten om zichzelf dapperder te voelen, dook de diepe schaduw in en baande zich een weg door doornstruiken in de richting van het geschreeuw.

Hij vond een haas, die met zijn poot verstrikt zat in een kluwen klimplanten. De haas zei: ik was zo bang, maar nu jij er bent ben ik niet bang meer. Je moet wel vreselijk dapper zijn om alleen het bos in te lopen.
De jongen maakte de poot van de haas los, nam hem op schoot en aaide hem en zei: ‘Ik ben helemaal niet dapper. In het dorp noemen ze me Miobi, de Bangerd. Ik zou me hier nooit gewaagd hebben, maar ik hoorde jou roepen.

De haas vroeg: ‘Waarom ben je bang? Waar ben je bang voor?’

‘Ik ben bang voor de krokodillen in de rivier, en voor de slangen en spinnen die me opwachten in het bos. Maar het allerbangste ben ik voor de dingen die ritselen in het rieten dak boven mijn bed – mijn oom zegt dat het gewoon ratten en hagedissen zijn, maar ik weet wel beter, het is iets veel ergers.’

‘Wat jij zou willen’ zei de haas, ‘is een huis met dikke muren waarin je jezelf zou kunnen opsluiten tegen alles waar je bang voor bent?’

‘Ik denk niet dat dat zou helpen,’ zei Miobi, ‘Want als er geen ramen in zouden zitten, zou ik bang zijn niet te kunnen ademen, en als er wel ramen in zouden zitten, zou ik er voortdurend naar moeten kijken of er geen dingen naar binnen kruipen om me op te vreten.’

De haas was inmiddels gestopt met bibberen van angst, en Miobi zei: ‘Je weet nu dat ik niet dapper ben, dus ik kan je niet echt beschermen. Maar als je denkt dat het toch beter is dan niets, zal ik je naar huis dragen. Waar woon je?’

Tot zijn stomme verbazing hoorde Miobi de haas antwoorden: ‘Ik woon in de maan, dus je kunt niet met me mee naar huis. Maar ik zou je wel graag iets willen geven als dank voor hoe aardig je voor me bent. Wat zou je het allerliefste hebben van de hele wereld?’

‘Ik zou wel moed willen hebben… maar ik denk dat niemand zoiets kan geven.’

‘Ik kan het je niet geven, maar ik kan je wel zeggen waar je het kunt vinden. De weg ernaartoe moet je alleen afleggen. Maar als je het allerbangste bent, kijk dan omhoog naar de maan en ik zal je vertellen hoe je ze kunt overwinnen.’

Toen vertelde de haas Miobi over de weg die hij moest volgen, en de volgende ochtend, nog voor zijn oom wakker was, ging de jongen op reis.

Het enige wapen dat hij bij zich had was een dolk die de haas hem had gegeven. Die was lang en scherp, en bleek als het licht van de maan.

Na een tijdje kwam de weg uit bij een brede rivier. Miobi werd bang, want her water was vol krokodillen, die naar hem staarden met hun gemene kleine oogjes. Maar hij herinnerde zich wat de haas had gezegd, en nadat hij had opgekeken naar de maan riep hij naar ze: als jullie dood willen moet je me zeker komen aanvallen.

Daarna sprong hij in de rivier, zijn dolk stevig in zijn hand, en begon naar de andere oever te zwemmen.

Tot hun eigen verbazing waren de krokodillen bang voor de jongen. Om hun eigen waardigheid nog een beetje te redden, zeiden ze tegen elkaar: ‘Hij is veel te dun om op te eten, dat is verspilde moeite.’ Ze deden hun ogen dicht alsof ze hem niet zagen. En miobi bereikte veilig de andere oever, en vervolgde zijn weg.

Een paar dagen later zag hij twee slangen, elk zo groot dat hij moeiteloos een hele os zou hebben kunnen opeten. Tegelijkertijd, als met 1 stem, zeiden de slangen: ‘Als je nog 1 stap dichterbij komt, eten we je op!’

Miobi was doodsbang, want slangen joegen hem altijd de meeste angst aan. Hij stond op het punt hard weg te rennen, toen hij omhoogkeek naar de maan, en direct wist wat de haas hem vertelde te doen.

‘O grote en wijze slangen,’ zei hij beleefd, ‘een jongen zo klein als ik zou hooguit een van jullie kunnen vullen. De helft van mij zou niet genoeg zijn om jullie allebei een verzadigd gevoel te geven. Dus beslis alstublieft onder elkaar door wie van u ik de eer zal hebben om te worden opgegeten.’

‘Verstandig, zeker, ik zal je zelf opeten’ zei de eerste slang.

‘Nee, dat zul je niet, hij is van mij!’ zei de tweede.

‘Nonsens, jij had die rijke koopman, die was zo druk met geld tellen dat hij het pas merkte toen jij zijn benen te pakken had.’

‘Ho even, pakte jij niet die vrouw die zichzelf in haar spiegeltje aan het bewonderen was, je pochte nog dat ze zo lekker mals was!’

‘De rijke koopman was daarna’ zei de eerste.

‘Echt niet!’

‘Echt wel!’

‘Niet!’

‘Wel!’

Terwijl de slangen druk aan het kibbelen waren over wie van hen Miobi zou mogen opeten, was hij ze ongezien voorbij geglipt en uit het zicht verdwenen. Dus geen van de slangen had ontbijt die morgen.

Miobi was zo vrolijk dat hij begon te fluiten. Voor het eerst in zijn leven genoot hij van de vorm van de bomen en de kleuren van de bloemen, in plaats van zich zorgen te maken over de gevaren die zich er schuilhielden.

Kort daarna kwam er een dorp in zicht. En al van een afstand hoorde hij klaaglijk gehuil. Toen hij over de weg door het dorp liep, merkte niemand hem op, want de mensen waren kreunend en klagend in zichzelf verzonken. De kookvuren waren uit, geiten mekkerden omdat men vergeten was ze te melken. Babies huilden omdat ze honger hadden, en een klein meisje riep omdat ze gevallen was en een snee in haar knie had maar haar moeder keek niet naar haar om.

Miobi liep naar het huis van de hoofdman en trof hem aan voor zijn huis, in kleermakerszit, met as op zijn hoofd, zijn ogen dicht, en zijn vingers in zijn oren. Miobi moest heel hard roepen voordat de man een oog en een oor opende en gromde: wat wil je?

‘Niets’ zei Miobi beleefd, ‘Ik wou vragen wat u wilde, waarom is uw dorp zo ongelukkig?’

‘Jij zou ook ongelukkig zijn,’ zei de hoofdman kwaad, ‘als een monster jou op zou komen eten.’

‘Wie wordt er opgegeten? U?’

‘Ik en alle anderen, zelfs de geiten, hoor je niet hoe ze mekkeren?’

Miobi was te beleefd om te zeggen dat de geiten misschien mekkerden omdat niemand ze gemolken had. Dus hij vroeg de hoofdman: ‘Jullie zijn met best veel mensen in dit dorp. Zouden jullie allemaal samen niet sterk genoeg zijn om het monster te doden?’

‘Onmogelijk!’ zei de hoofdman. ‘Te woest, te groot, te verschrikkelijk. Daar is iedereen het over eens.’

‘Hoe ziet het monster eruit?’ vroeg Miobi.

‘Ze zeggen dat het de kop heeft van een krokodil en het lijf van een nijlpaard en een staart als een dikke slang, maar het is ongetwijfeld nog veel erger. Praat er niet over!’ Hij deed zijn handen over zijn gezicht, en wiegde zich van voor naar achter, kreunend in zichzelf.

‘Als u me vertelt waar het monster leeft, zal ik het voor jullie proberen te doden,’ zei Miobi, en hij was er zelf verbaasd over.

‘Dat is heel wijs van je’, zei de hoofdman, ‘want dan word je meteen opgegeten en hoef je je daar ook geen zorgen meer over te maken. Het monster woont in de grot op de top van die berg daar. De rook die je ziet komt van zijn vurige adem, dus je wordt al gebakken nog voordat hij je opgegeten heeft.’

Miobi keek omhoog naar de maan en wist wat de haas wou dat hij zei, dus hij zei het: ‘Ik zal de berg op gaan en met het monster vechten.’

De klim kostte hem lange tijd, maar toen hij halverwege was kon hij het monster al vrij duidelijk zien. Het stampte heen en weer bij de opening van zijn grot, vurige ademstoten kwamen uit zijn neusgaten, het leek ongeveer zo groot als drie grote vlotten, wat heel groot is, zelfs voor een monster.
Miobi zei tegen hemzelf: ‘Ik mag pas weer kijken als ik helemaal boven ben. Anders krijg ik de neiging om weg te rennen en lukt het klimmen me niet meer.’

Toen hij na een tijdje voor tweede keer naar het monster keek, verwachtte hij dat het nog groter zou zijn dan van een afstandje. Maar in plaats daarvan leek het smaller, hooguit iets groter dan 1 vlot, in plaats van 3.

Het monster zag hem nu ook, en het snoof kwaad, en de snuif knetterde langs de helling en schroeide Miobi’s huid. Die was al een eind weggerend voordat hij zichzelf kon laten stoppen. Nu leek het monster weer groter, drie vlotten groot en misschien wel vier.

Miobi zei bij zichzelf: ‘dit is wel heel gek: hoe verder ik van het monster ben, hoe groter het lijkt en hoe dichterbij hoe kleiner. Misschien als ik heel dichtbij ben is hij wel zo klein dat ik hem met mijn dolk kan doden.’

En met zijn ogen dicht, zodat de vurige adem hem niet zou verblinden, en met zijn hand stevig om de dolk zodat hij hem niet zou verliezen, en meteen, zodat hij zich niet zou bedenken, rende hij de helling op in de richting van de grot.

Toen hij eindelijk zijn ogen opende, zag hij niets dat gedood hoefde te worden. De grot leek leeg, en hij dacht even dat hij de verkeerde kant op was gerend. Toen voelde hij iets heets bij zijn rechtervoet. Hij keek naar beneden, en daar zat het monster, zo klein als een kikker. Hij pakte het op en kriebelde het over zijn rug. Het beestje was prettig warm zo in zijn handen, en maakte een klein vriendelijk geluidje, ergens tussen het spinnen van een kat en het gepruttel van een pan soep.

Mobi dacht eerst: ‘Arm klein monster. Wat zal het zich eenzaam voelen in deze enorme grot.’ En toen dacht hij: ‘Het zou een leuk huisdier zijn, en zijn vurige adem heel handig om het kookvuur aan te steken.’ Dus droeg hij het voorzichtig naar beneden langs de helling van de berg, en het krulde zich op tussen zijn handen en viel in slaap.

Toen de dorpelingen Miobi zagen, dachten ze eerst dat ze droomden, want ze waren zeker geweest dat het monster hem zou doden. Maar daarna riepen ze hem uit tot held, en zeiden ‘Eer aan de machtige jager, hij de dapperste van allen, hij heeft het monster verslagen!’
Miobi voelde zich er erg ongemakkelijk bij, en zodra hij zich boven het roepen uit verstaanbaar kon maken, zei hij: ‘Maar ik heb het niet doodgemaakt, ik heb het meegenomen als huisdier.’

Ze dachten dat hij alleen maar bescheiden was, en het duurde even voor ze hem geloofden, hij moest het hele verhaal vertellen over hoe het monster groter leek van een afstand maar toen hij er eenmaal naast stond zo klein was dat hij het in zijn handen kon dragen.

De mensen drongen rond hem om het monster te zien. Het werd wakker, en gaapte een wolkje rook, en begon te spinnen. Een klein meisje vroeg aan Miobi: hoe heet het?

‘Ik weet het niet’ zei Miobi, ‘dat heb ik nog niet gevraagd.’

Het was het monster zelf dat antwoord gaf. Het stopte met spinnen, keek rond om zeker te zijn dat iedereen luisterde, en zei toen:

‘Ik heb vele namen. Sommigen noemen me hongersnood, anderen noemen me epidemie, de meest beklagenswaardige mensen geven me eigen namen.’ Het gaapte weer, en zei toen: ‘Maar de meeste mensen noemen me ‘wat zou kunnen gebeuren’.

Joan Grant, The Monster That Grew Smaller
vert. Kaj van der Plas

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.