De eksters en de kroon – een toneelstuk op rijm

Een koning raakt zijn kroon kwijt. Dat lijkt noodlottig, maar de zoektocht naar zijn kroon levert hem, gewoon met beide benen op de grond, verrassende inzichten op. Lukt het hem de koningin er ook van te overtuigen?

Vertellers:
Let op, let goed op, want ik neem je mee
naar een superklein landje, ergens aan zee.
Een land met een koning, in een paleis
Met een vrouw en lakeien, maar hij is niet zo wijs

Want hoog in zijn toren is het leven heel goed
dus vergeet hij dat iedereen werken moet
Vandaag wordt dat anders, hij zit rechtop in bed
en krijgt zoals altijd zijn kroon opgezet…

De vertellers buigen en lopen elk naar achter naar een eigen hoek van het podium.
In het midden komt de koning op. Die doet alsof hij op het balkon uitkijkt over de stad.

Koning:
Wat heerlijk mijn leventje, op het balkon
Mijn kroon op mijn hoofd, en mijn kop in de zon
En beneden op tafel daar wacht het ontbijt
dat door een van mijn 200 koks is bereid

Strakjes wat tennis, dan even regeren
dan naar het biljart met de andere heren
Dan tijd voor een visje, glas wijn en wat fruit
hier gaat het mij goed dus ik hoef er niet uit!

De koning schrijdt voornaam naar het zijvoortoneel, terwijl de vertellers elkaar weer vinden, ditmaal midden op het podium. De koning doet op het zijtoneel of hij de markt en alles wat daar gebeurt goed waarneemt. Als keek hij van zijn balkon.

Vertellers:
Het stadje beneden is-al veel langer wakker
De visser, de looier, de kaasboer, de bakker
zijn hard aan de slag na een simpel ontbijt
ook de timmerman had voor gemijmer geen tijd

Want er moet gewerkt,
er moet brood op de plank
Maar ze worden er niet minder vrolijk van!

Het is marktdag vandaag
dus de bloemenverkoper,
de visser, de melkman
de groentenverkoper
de bakker, de slager,
de boer met vers fruit
– zij stallen luid roepend hun verswaren uit
de marktmeester neuriet een vrolijke wijs
en de koning beziet het vanuit zijn paleis

(Lied haja haja hee)

Hierna moet de sfeer abrupt veranderen. Windgeluiden bijvoorbeeld, terwijl de actie van de marktkooplieden en vertellers bevriest. Alleen dan is duidelijk wat er gebeurt, met de eksters en de kroon.

De eksters komen vliegend tussen de kramen door.
De koning staat op het middenpodium voor.

Eksters:
Vogelvrij, hoog door de lucht
harde wind en snelle vlucht
Zien wij gouden schitteringen
kunnen wij ons niet bedwingen
duikvlucht, grijpklauw, en gezwind
verdwijnen wij snel als de wind

Oh, wat zegt u? Is dat fout?
Al hun strijd gaat over goud!
Dus door ze pijlsnel te verlossen
van de lasten die ze torsen
maken wij ze weer gelijk
-komt er vrede in het koninkrijk!

Wij bergen alles in ons nest
zodat rust is wat hun rest.

De eksters grissen stiekem de kroon van het hoofd van de koning en renvliegen ermee weg van het toneel af.
Dan houdt de wind op met waaien.
De koning grijpt naar zijn hoofd en kijkt om zich heen maar ziet de kroon nergens.

Koning:
Hé, mijn kroon, mijn kroon van goud!
Weggeblazen! wind, foei, stout!
Ik buig mijn hoofd voor je grote kracht
maar dit had ik echt niet verwacht
Wind, waar heb je mijn kroon gebracht?

Ondertussen komt de koningin op geschreden

Koningin:
Wat is er lief, wat is er loos?

Koning:
Mijn kroon waaide weg dus ik ben boos!

Koningin:
Maar schat van mij, zo zonder kroon
ben je geen koning, dan ben je gewoon
Laten we hem zoeken, hup naar beneên!

Koning:
Oké, dat is een goed idee.

Eh… hofhouding!

De hofhouding komt op, de lakeien en de kok, lijfwachten

Koningin:
Dienaren trouw, handel nu snel
en zoek des konings kroon, dat is een bevel
Dit is een zaak van landsbelang!

Lakeien:
Goed majesteiten! Wees maar niet bang!

Verteller: De kok protesteert

Kok:
Maar de koning heeft nog niet ontbeten!

Koningin:
Zonder kroon kan hij niets eten.

Verteller: Nu protesteert de koning ook

Koning:
Maar..? (legt zijn hand op zijn buik)

Kok:
Nu ja, dan laat u het maar staan,
en ik zal mee uit zoeken gaan.

Vertellers:
Met goede moed vertrekt de stoet,
al weet niemand waar hij het zoeken moet

Trompetgeschal klinkt, zegt het voort!
Voor het eerst in jaren dat men hoort
de majesteit komt uit de poort!

[trompetten, klarinetten]

Groenteboer (roept!):
Spruitjes, bietjes, artisjokken!
Hé, wie zie ik daar droevig sjokken,
is dat zijne majesteit?
Bent u soms uw glimlach kwijt?

Bent u soms uw glimlach kwijt?

Koning:
Nee mijn goede, beste man
ik verloor wel mijn waardigheid
want zonder deksel op mijn pan
heb ik geen status tot mijn spijt

Groenteboer:
Zonder deksel? ah, uw kroon!
is die weg? Wat ongewoon!
Hier: een lekkere winterpeen.
Groenteboer geeft de koning een winterpeen
die helpt u overal doorheen.

Want echt koning, alles van waarde
groeit gewoon uit moeder aarde!

De koning neemt een hapje van de winterpeen, ondertussen:

Verteller: De koningin is niet tevreden met dit antwoord

Koningin:
Dus u hebt geen kroon gezien?

Groenteboer:
Ik niet! Maar die hiernaast misschien.

Visboer (roept!):
Verse vis, verse vis!
Nieuwe haring, verse paling!

Neemt u mij nu in de maling?
Als dat niet de koning is!

Koning:
Het ruikt hier lekker, beste vent!
en fijn dat u me nog herkent
ik ben niet echt in vol ornaat
zo zonder kroon, gewoon op straat
Oh dank u wel, zo’n zure haring
is voor mijn tong een openbaring!

Visboer:
Maar koning, zonder mooie kleren
bent u nog steeds onder de heren!
Zie: deze vis blinkt in de zon
zelfs zonder glanzende japon
Zo waar als verse vis niet stinkt:
het is niet alleen goud dat blinkt!

Verteller: Ongeduldig zegt de koningin

Koningin:
’t Is allemaal best, u kunt mooi praten
maar waar heeft de wind onze kroon gelaten?
Hebt u geen gouden kroon gezien?

Visboer:
Ik niet, maar die hiernaast misschien?

[Lied: de bakker]

Bakker:
Witte bollen, bruine bollen,
Bossche Bollen, suikerstollen!
Geen bolussen, die Zeeuwse drollen!
Maar wel fijne krentenbollen!

De lakei stapt naar voren

Lakei:
Schal uw stem niet zo over straat!
Ziet u niet wie voor u staat?
Matig nu meteen uw toon
en vertel: waar is de kroon?

Bakker:
De kroon, mijn hemel wat een schrik!
Het is de majesteit zie ik.
Mijn koning en mijn koningin
wees mij toch niet kwaad gezind,
uw kroon heb ik hier niet maar wel
een heerlijk broodje frikandel!

Koning (knabbelt nog steeds van zijn wortel, maar geeft die nu aan zijn lakei en neemt het broodje van de bakker aan):
Een worstenbroodje is nooit fout!
ik miste immers mijn ontbijt
mijn kroon is weliswaar van goud
maar mijn buik heeft prioriteit!

[toneelspelers bevriezen]

Eksters:
Vogelvrij hoog door de lucht
harde wind en snelle vlucht
Een greep van ons is altijd prijs
De koning daalt uit zijn paleis
Zie wat ons harde werken bracht
Hij maakt nu op de markt contact.

Hoewel ons werk op diefstal lijkt,
haalt het slechts weg wat mensen scheidt!
Zij zien niet in dat zilver, goud
de mensen maar gescheiden houdt!

[Eksters pikken nog een appeltje uit de kraam en vliegen ‘al etend’ weer weg.]

Vertellers:
Terwijl de stoet zonder veel spoed
steeds een kraampje verder raakt
Kun je wel zien, kijk maar eens goed,
dat de koningin zich zorgen maakt…

Koningin:
De zon is koud
De wind is guur
Wij zoeken hier nu al een uur
En kijk mijn man eet frikandel
Hij lijkt zowaar de stalknecht wel!

Ik zie hem in een ander licht
Zo zonder kroon is geen gezicht!
En als hij steeds normaler lijkt
verliezen wij alle onderscheid!
Dan is het volk zijn vorsten kwijt!

Fruitverkoopster (filosofisch):
Appels en peren
Als je die vergelijkt
Zie je dat een peer
Best op een appel lijkt!

Ik verkoop geen knollen
Maar wel citroenen!

Oh kijk, wie loopt daar naast mijn schoenen?
Het is mijn koning en mijn vorst!
Zoekt u een appeltje voor de dorst?

Koning (eet nog van zijn broodje maar geeft het aan de kok):
Nou beste vrouw, ik heb wel zin!
Zo’n appeltje gaat er wel in,
Maar wacht, ik loop hier niet gewoon
ik ben iets kwijt, oh ja, mijn kroon!

neemt een hap van de appel

Fruitverkoopster (tilt een doosje aardbeien op):
Mijn aardbeien: een rooie kop,
met puistjes en een kroon erop!
En kijk eens koning, is het niet wonderschoon:
ze dragen allemaal een kroon!

Lakei:
Beste mevrouw u maakt een fout
’s Konings kroon is van baar goud!
Maar… onze koningin heeft haast,
wij gaan onmiddellijk hiernaast.

Stoffenverkoper:
Corduroy en zacht fluweel!
Ruitje, streepjes of struweel
En zie uzelf al twitterend
in deze Tweed, echt schitterend!

Koningin (licht wanhopig):
Mijn beste man, wij zoeken een kroon,
en dan bedoel ik geen patroon
wij zoeken heel gewoon
de enige echte
diamant bezette
groen-violette
vaak opgezette
koninklijk nette
klinkend trompette van je retteketette
blinkende gouden kroon!!!

Stoffenverkoper:
Mijn vorstin, die kroon klinkt tof
Helaas heb ik dus enkel stof,

Lachend
Maar ook u weet dat vroeg of laat
zelfs een kroon tot stof vergaat!

Koningin:
Lakeien, ik wil van de straat!
Breng ons terug naar het paleis
want wij raken hier van de wijs

Koning:
Maar wacht toch, wacht mijn lieve schat,
wist jij dat ik zulke onderdanen had?
De wijsheid waar men prat op gaat
lag al die tijd gewoon op straat!

Koningin:
Maar Henrik, dit is niet jouw plaats
denk aan de roddels, het gepraat
maakt met uitgestrekte armen en haar middel- en wijsvinger het ‘ik citeer’-gebaar
“Koning stapte van zijn troon,
de markt op en werd heel gewoon!”

Koning:
Ik vind het fijn om hier te zijn
maar ga jij mij gerust vooruit
je oogt wat moe rust maar wat uit
ik eet nog wat in de zonneschijn

En als je naar boven bent geschreden,
stuur dan iemand naar beneden
om wat centen te gaan halen
want ik eet niet zonder betalen.

De koning loopt verder om nog wat te eten van het kraampje. De koningin blijft verbaasd achter en draait zich dan om om het podium af te lopen, gevolgd door de lakeien en de kok.

[iedereen bevriest]
[de wind steekt weer op]

Eksters:
Vogelvrij hoog door de lucht
harde wind en snelle vlucht
onze inspanning beloond!
de gewone man bekroond!

En onze jongen slapen opperbest
in hun nieuwe gouden nest!
De kroon blijft dus in ons bezit
Niet dat de koning daarmee zit.

Dat doet alleen de koningin
Komt er een kans… grijpen wij in!

[De eksters verdwijnen niet weer van het podium, maar gaan aan de rand staan]
[De vertellers komen op]

Vertellers:
Het was marktdag vandaag
en totaal onverwacht
hebben eksters de koning
naar buiten gebracht
Want zij stalen zijn kroon

En nu loopt hij daar rond
te genieten, gewoon,
En met een volle mond
fluit hij een vrolijke wijs

De koningin ziet het vanuit het paleis
Nu staart zij naar beneden
vanaf het balkon
met haar sieraden glinsterend
in de middagzon

De koningin staat op het balkon

Koningin:
Ik zie mijn lieve man nog nauwelijks
Zo uit de hoogte lijken allen op elkaar
Ik zie niets koninklijks, niets mannelijks, niets vrouwelijks
Maar ik ben de koningin, hij blijft maar lekker daar!

Allen bevriezen, behalve de koningin
Windgeluiden

Eksters:
Vogelvrij hoog door de lucht
harde wind en snelle vlucht
Zie wat ons harde werken bracht
Hij maakt nu op de markt contact.

Hoewel ons werk op diefstal lijkt,
haalt het slechts weg wat mensen scheidt!
Zij zien niet in dat zilver, goud
de mensen maar gescheiden houdt!

Koningin:
Oh vogels, welk lot treft mij nu!
Lijfwacht, lakeien, help me toch!
Nee niet mijn gouden paraplu!
Die droogde mij als baby nog!

Eksters:
Ach hoor nu eens hoe hard u kermt
alsof een goudschild u beschermt!

Koningin:
Mijn oorbellen, mijn mooie broche
mijn ringen en mijn gouden cloche
de gouden vogels op mijn jas
gekregen toen ik 9 was!

Eksters:
Uw goud lijkt wel heel koninklijk
maar glimt zó als ik erin kijk
dat ik alleen mezelf zie
mijn spiegeling, en u dus niet.

Koningin:
Oh vogels, dat u mij toch spaart!
Zonder mijn goud ben ik niets waard

Eksters:
Wees toch niet bang, de hoogste tijd
dat iemand u van uw last bevrijdt!

Voor u aan ons als dieven denkt
geniet van de ruimte die dit schenkt!

De eksters vliegen weg
De koning komt naar de koningin toe
Alle mensen komen om de koningin en koning heen staan
De koningin verbergt haar gezicht in haar handen

Koning:
Pompompom, mijn buik gevuld
met heerlijks, en als toetje dropjes
ik heb met alleman gepraat
en ook met Jan, ben in mijn nopjes

Schrikt als hij de koningin ziet

Maar lieve sta je daar te huilen?
Wat is er, heb je me gemist?
Je lijkt wel weg te willen schuilen?
Zeg me nou toch wat er is?

De koningin praat opeens niet meer deftig

Koningin:
Ik sta hier zonder waardigheid
Ik ben mijn goud en zilver kwijt

Koning:
Oh ja, het is dat je het zegt
Je gouden sieraden zijn weg

Maar betekent het misschien iets
dat ik dat niet had gezien?

En begrijp je nu wat ik altijd bedoel
Als ik zeg dat ik me zonder kroon
veel lichter voel?

Dit is mijn koninklijk besluit:
ook zonder goud zie jij eruit
om op te eten
en ik heb smaak, ik kan het weten!

Hij slaat zijn arm om haar heen

Vertellers:
Zo eindigt dit verhaal
gewoon een koning en een koningin
zonder hun goud en zonder kroon
maar elkaars vriend elkaars vriendin

De eksters leren dat het leven
het allermooiste soms kan geven
door iets van ons weg te halen.

[nu volgen de laatste woorden, een grapje]

Ambachtslieden:
Maar als u bij ons op de markt komt:
graag gewoon betalen!

Bewerking 2019: Kaj van der Plas

De Stelling van Amsterdam

Het landschap

Lijnen in de geschiedenis…
Lijnen in de tijd…
Lijnen in mijn landschap, in mijn huid…

Ik ben hier al eeuwen, millennia aeonen. Was land en bodem van de zee. Was delta, moeras. Met op mij afwisselend vissen, en nesten en holen van insecten en amfibieën, vogels en dieren, op vier en twee poten.

Die tweepoters. Eerst waren het er weinig. Ik voelde hun rustige ritme van tijd tot tijd op mijn huid, als een hartenklop, ze trokken en rustten, ze jaagden en zochten.

Maar dat werd anders. En toen het eenmaal anders werd, ging het snel.

Ze jaagden en woonden. Ze bouwden en hakten. Trokken voren in mijn huid, wierpen wallen op tegen mijn buurvrouw het water, dreven kale boomstammen in mij omdat hun woningen wegzakten in het drassige moeras.

Het werden er meer en meer. Mensen. En zo groeide ik uit tot het hart van hun wereld. Zonder macht ze af te schudden. Ze kwamen en bleven en vermenigvuldigden zich.

Hoewel ze af en toe ook wisten in te krimpen. Het kermen van hun creperen resoneerde in mijn lagen. En was het niet de ziekte dan wel wapengekletter, van pijlen en bogen en ijzeren zwaarden tot donderdende musketten, kanonnen en granaten die altijd wel een lichaam openreten. Was het niet dat van henzelf, dan wel van mij.

En nu is er het voortdurende zoemen van vervoer, van ronkende motoren en machines en airco’s. Van dreunend heiwerk, en tuffende schepen door rivieren en vaarten. Van gierende motoren en slippende banden waarmee vliegtuigen loskomen van mijn huid of er weer op terugkeren.

Ik trek ze niet aan. Maar ik schud ze ook niet af. Ik verdraag ze. Wat kan ik anders.

De Linie

Het rampjaar 1672. Het lage land werd van alle kanten aangevallen. Chaos die naderhand maar 1 gedachte opriep: dit niet weer. 1 Strategie was sterk gebleken. Een lijn van het muiderslot tot slot Loevestein die onder water gezet kon worden. Een waterlinie…

Men leerde dus te spelen met Water. Hielden ze het eerst krampachtig buiten met dijken, nu lieten ze het welbewust binnen. In 1799, toen de Engelsen met de Russen aanvielen over zee, eerst Noord-Holland en later Walcheren bleken de dijken een gouden greep. Je prikte ze door, creëerde een strook nat land, ondergelopen, en trok je op de droogte terug. Laat de vijand maar waden, natte voeten, nat kruit, een schietschijf.

Zonder de koningen, zonder de Willems was ik er niet geweest. Zonder de Fransen was de koning er niet geweest. Willem 1, koning van het koninkrijk der Verenigde Nederlanden vanaf 1815.

Hij regeerde bij decreet, zette de regering buitenspel door begrotingen een looptijd van 10 jaar te geven. Alleen daardoor kon hij de regentenmentaliteit omzeilen en waterwegen aanleggen door meerdere gewesten en een wegennet dat alle belangrijke steden met elkaar verbond.

En ook mij legde hij aan. Van Muiden tot de Biesbosch. Met het trauma van het rampjaar nog in het achterhoofd: de dreiging uit het Oosten moest worden geweerd. En met het besef dat als Holland viel, Nederland viel. Een lijn van versterkingen op verhogingen en een ingenieus systeem van molens, kanalen en sluizen. Om land onder water te zetten. Inundatie noemt men dat. Een laag water te diep om makkelijk te doorwaden, en te ondiep om te bevaren. Wie het wel probeert krijgt natte voeten, strompelt door de natte bodem en is een lopend doelwit.

Ik ben niet zomaar een linie. Ik ben de Nieuwe Hollandse waterlinie. Een uitbreiding van de oude. Loop van Muiden tot de Biesbosch. En gaf de Hollanders sinds mijn aanleg die in 1815 begon een veilig gevoel.

Maar de gedachten over veiligheid veranderden. De Belgen scheidden zich af van de Nederlanden. En de nieuwe koning, Willem de tweede, die van die sigaren weet u wel, liet zijn oog vallen op het gebied rond Amsterdam. Daar zou een leger zich terug kunnen trekken, een wijkplaats vinden, hergroeperen om vervolgens weer over mij, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, ten strijde te trekken.

Het plan ontstond om mij uit te breiden met een ring, een ring van water rond de hoofdstad Amsterdam.

En toen de Pruisen in 1870 en 1871 een verbluffend staaltje nieuwe oorlogvoering lieten zien in hun strijd met de Fransen, was de kogel door de kerk. En het besluit snel genomen. Als ik, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, onverhoopt toch overschreden zou worden door een vijand, zou het leger zich terugtrekken achter de stelling van Amsterdam.

Bij wet werd besloten dat er een harnas rond de hoofdstad zou komen, een ring van de modernste forten van Muiden via Aalsmeer en Hoofddorp langs Haarlem en Krommenie tot Edam. Aan de rechterkant water, aan de linkerkant tussen de forten inundatiegebied.

Ik, de Nieuwe Hollandse Waterlinie, kreeg dus een kroon, een ring, een ronde tweelingzus. Het was wel even een bevalling. Maar na aanvang in 1880 was de Stelling van Amsterdam in 1920 gereed.

Het Fort

En ik, fort Vijfhuizen, ben aangelegd volgens de oudste tekeningen uit 1879. Samen met mijn zusterforten omring ik het Reduit… het toevluchtsoord rond Amsterdam. Je hoort de inspiratie van de Franse Maginotlinie in de benaming doorklinken.

Die hoor je ook in wat ik bewaak. Twee accessen. Ja, de mensen zijn zo stom geweest om met de aanleg van hun spoorlijnen geen rekening te houden met het militair belang, en de spoorwegen zijn altijd essentieel geweest voor de troepenverplaatsingen, dus de spoorlijn mocht niet onder water komen te staan. Belangrijke toegangswegen en waterwegen mochten ook niet beschadigd raken. Op alle plaatsen waar de ring van water onderbroken moest worden werden forten gebouwd.

Een megaoperatie. Inundatiegebieden, forten, batterijen, dammen, sluizen, kanalen, duikers, kaden, wegen, magazijnen, kruitfabrieken, kazernes en beplanting… alles om de stelling in stelling te brengen, soldaten te herbergen en reduit Amsterdam veilig te houden.

Ik bewaak sindsdien het acces van de Spieringweg en de ringvaart van de Haarlemmermeer. Met twee grachten, vanwege een hogere strook land. Met even verderop een voorstelling om terugtrekkende troepen dekking te geven. Een van de oudste bouwwerken van gewapend beton ter wereld.

Nodig was ik in de Eerste Wereldoorlog. Want een land kan alleen neutraal blijven als er spierballen zijn om mee te rollen. Ik werd bewoond door 300 man. Woningen uit 1890 en 1910 zijn nog op mijn terrein aanwezig. Net als de unieke stalen genie-bergloods uit 1897 trouwens, maar daarover later meer.

De manschappen zetten de gracht vol water uit de Ringvaart. Bemanden de 22 kanonnen. In de boomkwekerij hiernaast werd geëxperimenteerd met begroeiing. Want die kon de contouren van het fort aan het oog onttrekken, en kazematten en geschutskoepels onzichtbaar maken voor de gretige vuurmonden van de vijand.

Ik bleef buiten de oorlog, maar had er wel last van. Ik werd namelijk minder nuttig. Forten pasten niet meer in de moderne oorlogvoering met vliegtuigen, loopgraven, snelle troepenbewegingen en gifgas en tanks.

De soldaten die mij bewoonden hebben geen oorlog gezien in die jaren. En ook de twintig jaar erna niet. Het gebied rond mij werd keurig leeg gehouden. Een strook van 300 meter waar enkel houten gebouwen van maximaal 40 m2 oppervlak mochten staan. Zodat ze makkelijk verbrand zouden kunnen worden. En daaromheen nog een ring van 600 meter waar alleen houten huizen mochten staan, op stenen fundament.

En toen kwam opnieuw de dreiging uit het oosten… in 1939 werd duidelijk wat de opvolgers van de Pruisen met hun bombardementen op de hoofdstad van Polen teweegbrachten. De regering was niet veilig daar. Ik werd aangewezen als algemeen hoofdkwartier. Zou misschien de koningin wel huisvesten! Maar zover is het niet gekomen. De Grebbelinie bewees zijn kracht, maar de dreiging van bombardementen leidden tot overgave.

De bezetters verwijderden mijn verouderde kanonnen en smolten ze om tot nieuw wapentuig. Ik werd opslagplek voor materieel en manschappen. Het zijn de Duitsers geweest die in 1944 de waterlinie inundeerden… en zo een snelle bevrijding van Holland voorkwamen.

Vandaag de dag ben ik werelderfgoed, samen met de stelling van Amsterdam en de hele Nieuwe Hollandse Waterlinie. En ik ben aangewezen tot kunstfort. Ateliers, tentoonstellingen, met sinds april een nieuwe begeesterde directeur. Ik blijf in stelling maar niet meer om Amsterdam te verdedigen, die tijd is voorbij.

Kunst is het nieuwe reduit, de nieuwe plek om je op terug te trekken. Kunst verbeeldt andere manieren van leven, haakt aan op oude waarden van gelijkwaardigheid en duurzaamheid. Hopelijk nemen mensen die waarden vanuit hier weer mee de wereld in. Ze zijn het verdedigen waard. Dan ben ik niet nutteloos gebouwd.

De soldaat

We lagen hier gelegerd. Klaar om te vechten als de vijand onze neutraliteit zou doorbreken. Twee jaar onder de wapenen van 1914 tot 1916. Wij hier in dit donkere vochtige fort… en dan te bedenken dat anderen in het Concertgebouw kwartier maakten…

We oefenden oorlog. We verplaatsten materieel. We pleegden onderhoud. En we verveelden ons.

Die verveling was een grote vijand. Leraren gaven les, er werd geschilderd, gevoetbald, gezwommen en vast veel gekaart. Boeken en kranten werden voor ons ingezameld. En af en toe konden we uit dansen. Maar de meesten van ons waren 30, en hadden een leven. Waar je tenminste fatsoenlijk te eten had.

Godzijdank was het in 1916 tijd voor verlof. Je kunt nog een spoor van ons vinden in Lokaal 12 hier in het gebouw. Weet je wat ze daar op de muur hebben geschreven?

“Die drinkt bederft, die niet drinkt sterft. Beter gedronken en bedorven… dan niet gedronken en gestorven.”

Daarom: Proost!

De keizer en de tovenaar – verhaal op rijm

 

De keizer van het verre Hullekaar
Zocht hulp bij zijn tovenaar
Hij had zo’n steken in zijn heupen
Hij kon er nauwelijks van leupen
Na weer een nacht van pijnlijk dromen
liet hij de magiër dus komen.
‘Zo, wijze vrind, zeg jij het maar,
maak je een toverdrankje klaar?
Of schrijf je een speciale toverspreuk?
Want deze pijn is echt niet leukl’
‘Nee keizer,’ mompelde de tovenaar
‘uwe majesteit bekijkt het maar’
En toen de keizer hem niet goed verstond
Stampte hij drie keer op de grond
Dat ging de keizer echt te ver
Al was die tovenaar een superster
Dan nog kon hij hem toch wel helpen?
‘Rammel anders even met je toverschelpen
zwaai wat met je toverstaf!’
‘Nee keizer,’ zei de tovenaar nu luid.
‘Daar zie ik echt van af.’
Dit was de keizer echt te straf
Hij stapte woest uit bed en riep:
‘mijn heupen, haal nu weg mijn pijn,
of deze dag zal je laatste zijn!’
‘Oh keizer,’ zei de tovenaar
‘Verwacht u echt een groots gebaar?
Een hele bult magisch gedoe?
Daar bent u echt nog niet aan toe.
Volg gewoon mijn eenvoudige raad
dan zal het heel snel beter gaan:
doe voortaan als u de straat op gaat
iets warmers dan de kleren
van de keizer aan.
U zult weer soepel kunnen leupen,
en krijgt het stukken minder snel
op uw keizerlijke heupen.’

Storytelling is niets voor jou? Je doet het al!

Uitgelicht

We kunnen niet om verhalen heen. We vertellen ze voortdurend. En zijn er ook steeds naar op zoek: we willen geraakt worden door wat iemand vertelt. Dus weg met die associaties van ‘verhaaltjes zijn voor kinderen of voor het theater.’ Versterk je eigen boodschap door de verhaalvorm te versterken. Communiceer zo met kracht en impact. Geen zin in het hele artikel? Scroll meteen naar beneden voor drie tips.

Er was eens, lang geleden…

Als het zaallicht dimt verstommen de gesprekken. De spots boven het podium verschieten van kleur en de roodfluwelen gordijnen schuiven zacht ratelend opzij. 

Midden op het podium staat iemand met een rode jas vol frutsels en een grote hoed met veren.

Ze doet een stap naar voren, haalt adem, spreidt haar armen en begint:

“Er was eens, lang geleden, in een koninkrijk hier ver vandaan, een prinses die niets kon zien omdat haar paleis geen ramen had…”

Als dit storytelling is, dan is het niets voor mij!

Ja, als dat storytelling is… dan past het niet in onze organisatie. Verhalen zijn voor kindertjes, of voor in het theater. Hier houden we ons met de echte wereld bezig! Want wij verzinnen oplossingen voor problemen en dat doen we op een heldere doortastende manier. Op basis van feiten, zonder franje, doordacht en met vaart. Storytelling is poespas, kost teveel tijd en leidt af van waar het echt om gaat.

Natuurlijk denk jij deze dingen niet. Toch? Maar je kent wel mensen die zo denken. Ik kom ze in ieder geval wel tegen. En ik geef ze gelijk, maar ze zien het verkeerd.

Ik geef ze gelijk, maar ze zien het verkeerd.

Het is een denkfout

Mensen die twijfelen of storytelling wel iets voor hun is geef ik groot gelijk. Hoewel het een buzzword geworden is, hebben verhalen een slechte naam. ‘Hij hangt een verhaal op over zijn goede bedoelingen, maar dat is allemaal fake. Ik ken zijn ware aard.’ Bij verhalen heb je de associaties ‘niet echt’, ‘bedacht’, ‘fabeltjes’, ‘luchtfietserij’. Leuk voor in het theater maar we willen weten waar we echt aan toe zijn, toch? Feiten alstublieft!

Groot gelijk. Maar ze maken een denkfout. We zijn allemaal verhalenvertellers. En we kunnen niet anders!

We onthouden in verhaalvorm

Ons brein kan weinig tot niets met losse gegevens. We onthouden ze niet omdat we ze niet beleven. Ruik ik de eau de cologne die mijn overleden oma altijd om zich heen had hangen, dan denk ik niet alleen ‘Boldoot’ (of in het geval van mijn opa ‘Old Spice’). Er komt meteen een heel web van herinneringen, gevoelens mee. Dat komt niet doordat de ene herinnering de andere oproept, als die ene dominosteen die de volgende laat omvallen. Het komt doordat herinnering een ‘netwerk van gegevens’ is. Feiten blijven alleen hangen als ze in een web van associaties zijn ingebed: daar krijgen ze kleur van, een ziel, leven. Zo’n web is een verhaal.

Want een verhaal is een verband van oorzaken en gevolgen, roept beelden op of bestaat uit beelden, voorzien van meer of minder emotionele lading.

We zijn allemaal verhalenvertellers. We kunnen niet anders!

We denken in verhaalvorm

Als je het zo bekijkt, denken we ook in verhaalvorm. Als ik morgen een gesprek heb dat me bezighoudt, betekent dat dat ik in mijn hoofd het gesprek al voer, en me voorstel (beelden) wat ik zal zeggen. “Als zij me vraagt of ik… dan zeg ik…” (oorzaak en gevolg). Ik heb daar gevoel bij (blijdschap, spanning, weerstand).

Als ik mijn gedachten met een ander deel, dan gebruik ik de woorden “als, dan” – oorzaak en gevolg. Als ik mijn gedachten deel, dan doe ik omdat ik het belangrijk vindt, omdat iets me raakt – emotie. Ik merk dat ik goed overkom, als ik beelden gebruik die de ander herkent. En dat wil ik wanneer ik communiceer: mezelf verstaanbaar maken, zodat de ander met me meedenkt en meevoelt.

We communiceren in verhalen

E-mails, presentaties, lessen, roddel bij de koffie-automaat, anekdotes bij de vrijdagmiddagborrel, nieuwtjes, testuitslagen: het zijn allemaal pogingen om informatie over te brengen naar een ander. We kiezen daarbij van nature voor de verhaalvorm. Zo presenteren we feiten en gegevens in een logisch verband. En die vinden we belangrijk genoeg om te delen, dus voorzien we ze van een bepaalde emotionele lading (dringend, interessant, heftig, smeuïg…) Met de juiste beelden delen we ze zo, dat de ander zich er iets bij kan voorstellen.

“Ik kreeg laatst foutmelding H1045, maar toen ik de invoer controleerde was er niets aan de hand.”

We houden van conflicten

Alle mensen hebben een voorkeur voor verhalen waar een conflict of een spanning in zit. Een probleem dat moet worden opgelost, een obstakel dat moet worden overwonnen. Daar leren we immers het meeste van. In onze verbeelding maken we mee welke moeite de hoofdpersoon doet, de oplossingen die zij probeert, de opluchting als het lukt of de pijn als het niet lukt. Zo weten wij voortaan hoe het werkt, zonder het allemaal zelf te hoeven doen. “Pas op voor die manager, want wat ze me laatst heeft geflikt!…” roddels leren je over de sociale verhoudingen en de verwachtingen binnen je organisatiecultuur. “Ik kreeg laatst foutmelding H1045, maar toen ik de invoer controleerde was er niets aan de hand. Ik heb alles geprobeerd, en kwam er toen achter dat de foutmelding zelf een fout was: er werd verkeerd gemeten…” verhalen leren je alledaagse problemen op te lossen, dankzij de ervaring van anderen.

Emoties zijn de lichtkogels van de evolutie.

We willen geraakt worden

Daar ligt misschien ook wel de oer-oorsprong van het verhaal: bij het vuur de dag doornemen en informatie uitwisselen die voor het voortbestaan van de groep belangrijk is (over dreigingen van buitenaf), maar ook informatie die voor het voortbestaan van het individu in de groep belangrijk is (sociale verhoudingen, plek binnen de wereld/ de kosmos). We willen alleen belangrijke informatie, en of iets belangrijk is bepalen we op grond van hoe het verhaal ons raakt.

De evolutie heeft ervoor gezorgd dat belangrijke informatie (gevaar! voortplanting! verbinding!) emoties bij ons wakker roept. Daarom willen we alleen maar verhalen die ons raken. Emoties zijn de lichtkogels van de evolutie. Let op!

Als je de verhaalvorm van je boodschap versterkt, komt die beter over, blijft beter hangen en heeft meer invloed.

Hoezo: storytelling is niets voor mij?

De mens wordt als storyteller geboren. Dat is hoe ons denken, ons onthouden en ons communiceren werkt. Je doet het al. Niet in het theater, lekker nuchter en niet theatraal, kort en bondig, feitelijk. Maar je vertelt verhalen, ook al dacht je misschien van niet. Het verhaal is misschien wel het meest onderscheidende aan de mens: we zijn ‘storytelling animals’. Storytelling is misschien niets voor jou, maar het is wel iets van jou.

Je vertelt al verhalen: maak er bewust gebruik van

Of je nu anderen iets wilt leren, heldere opdrachten wilt geven, mensen in beweging laten komen, een boodschap goed overbrengen, jezelf zo laten zien dat anderen je onthouden – steeds ben je bezig met het overbrengen van informatie waarbij je hoopt dat die een ander raakt. Ik heb je laten zien dat je dat van nature in verhaalvorm doet (vandaar dat ongemakkelijke gevoel dat je van die droog-feitelijke powerpointpresentaties krijgt). Als je die vorm iets sterker maakt, is de impact van je verhaal groter. De boodschap die je communiceert komt beter over, blijft beter hangen, heeft meer invloed. En een goed verhaal heeft grote kans om te worden doorverteld.

Vergeet jezelf niet. Als het jou niet raakt, kun je een ander er ook niet mee raken.

Wat je kunt leren van het theater: drie tips

Theater is niets anders dan een uitvergroting van de werkelijkheid. Je duikt erin, dompelt je onder in uitvergrote gevoelens en verhalen van het echte leven, en komt weer buiten met een geleerde les of een opgedane ervaring. Verhalenvertellers in het theater weten hun verhaal zo te brengen dat de boodschap ervan optimaal overkomt. Je bent geboeid en wordt geraakt.

Hoe doen verhalenvertellers dat? Hoe kun jij dat doen, kort, feitelijk, helder, maar o zo krachtig? Drie tips om je storytelling te verbeteren.

1- Voorbereiding. Als je van tevoren weet welke boodschap je wilt brengen, kun je vast finetunen hoe je hem vertelt. Is het verband helder? Is er een spanning die de ontvanger van je boodschap boeit? Kun je er een emotie in brengen? Is het beeldend genoeg?

2- Oefening. Eigenlijk betekent dit: gewoon doen. Oefen je verhaal op een collega, op een gezinslid, en vraag reactie. Dat is heel eng. Maar hoe meer je het doet, des te lager de drempel wordt. Realiseer je dat professionele verhalenvertellers soms een half jaar bezig zijn met de voorbereiding van een voorstelling, vaak met hulp van een regisseur.

3- Authenticiteit. Vergeet jezelf niet. Als het verhaal jou niet boeit of raakt, kun je het nooit zo brengen dat het anderen boeit of raakt. Vertel daarom alleen verhalen die jou zelf raken. En als je dichtbij jezelf blijft tijdens het vertellen, kom je met je boodschap de ontvangers dichtbij.

Dacht je dat dit niet kort kon? Kijk maar eens op zeer kort verhaal hoe je in minder dan 15 zinnen een krachtig beeld neerzet dat blijft hangen.

Ze leefde nog lang, maar vooral een stuk gelukkiger.

Natuurlijk is er veel meer te leren

Verhalenvertellers gebruiken hun stem. Ze gebruiken stilte. Ze maken grote of kleine gebaren en je kunt hun emoties van hun gezicht aflezen. Op het podium doen ze dat in het groot. In het dagelijks leven kun je dat in het klein doen: het maakt je verhaal meteen een stuk sterker.

En die prinses, die niets kon zien omdat ze geen ramen had? Met hulp van een monsterlijke kikker die opdook in het donker brak ze dwars door de muur. Daar werd haar wereld een stuk groter van. Ze leefde nog best lang, maar vooral een stuk gelukkiger!