Vertaling van Dylan Thomas – Light breaks where no sun shines

Licht breekt door waar geen zon schijnt;
Waar geen zee stroomt, stuwen de wateren van het hart
Hun getijden naar binnen;
En, als gebroken spoken met glimwormen in hun hoofden,
Boren de dingen van licht
Zich door het vlees waar geen vlees de botten siert.

Een kaarsvlam in de dijen
Verwarmt jeugdigheid en zaad en verbrandt de sporen van de ouderdom;
Waar geen zaad zich roert,
Ontrimpelt de vrucht van de mens zich in de sterren,
Helder als een vijg;
Waar geen was is, toont de kaars zijn vezels.

De dag breekt aan achter de ogen;
Vanaf de polen van schedel en teen glijdt het druistig bloed
Als een zee;
Noch omsloten, noch ingeperkt, spuiten de bronnen van de hemel / Op naar de pompstang
Ontwarend in een glimlach de olie van tranen.

De nacht rondt in de kassen,
Als een maan van pek, het uiterst van de bollen;
Dag verlicht het bot;
Waar geen kou is, spelden de afstropende stormen
‘s Winters mantel los;
Het lentevlies hangt van de leden.

Licht gaat op over geheime plekjes,
Over gedachtetoppen waar gedachten rieken in de regen;
Als logica sterft,
Groeit het geheim van de bodem door het oog,
En bloed springt op in de zon;
Boven de verlaten hoekjes staat de dageraad.

Dylan Thomas (1914-1953)
Vertaling: Kaj van der Plas

Light breaks where no sun shines

Light breaks where no sun shines;
Where no sea runs, the waters of the heart
Push in their tides;
And, broken ghosts with glow-worms in their heads,
The things of light
File through the flesh where no flesh decks the bones.

A candle in the thighs
Warms youth and seed and burns the seeds of age;
Where no seed stirs,
The fruit of man unwrinkles in the stars,
Bright as a fig;
Where no wax is, the candle shows its hairs.

Dawn breaks behind the eyes;
From poles of skull and toe the windy blood
Slides like a sea;
Nor fenced, nor staked, the gushers of the sky
Spout to the rod
Divining in a smile the oil of tears.

Night in the sockets rounds,
Like some pitch moon, the limit of the globes;
Day lights the bone;
Where no cold is, the skinning gales unpin
The winter’s robes;
The film of spring is hanging from the lids.

Light breaks on secret lots,
On tips of thought where thoughts smell in the rain;
When logics dies,
The secret of the soil grows through the eye,
And blood jumps in the sun;
Above the waste allotments the dawn halts.

Dylan Thomas (1914-1953)

Toelichting bij mijn vertaling

De beeldtaal van het gedicht heb ik geïnterpreteerd vanuit dit perspectief.

Het thema van het gedicht is hoop, en hoop is in het gedicht een manier van kijken naar de wereld die:

  • leven ziet in wat dood lijkt
  • nieuwe levenskracht wakker maakt, vitaliteit
  • het denken te boven gaat, tegen de logica in

Belangrijke beelden in het gedicht zijn het oog, licht en donker, het bloed en (schat ik dit goed in?) ‘masculien-seksuele’ beelden.
Het oog is niet een orgaan dat van buiten naar binnen waarneemt, maar dat van binnen naar buiten waarneemt. Wat achter de ogen is schept de werkelijkheid die ze zien.

De eerste en de laatste regel van het gedicht sluiten op elkaar aan. Juist waar geen licht denkbaar is,
kun je het ontwaren. Omdat je kloppende hart, het vuur in je lendenen, je bloed en je tranen in dat wat dood lijkt leven zaaien.

Het woord ontrimpelt is een eigen samenstelling, een letterlijke vertaling van to unwrinkle. Het woord druistig wordt in Groningen nog wel gebezigd. Het past beter bij de kleur van het gedicht dan ‘onrustig’ of ‘zwenkend’ of hoe je windy dan ook zou willen vertalen.

De derde strofe kostte even wat moeite om te vertalen, omdat de metafoor van de olieboring me in eerste instantie niet duidelijk was. Uiteraard blijft ook bij vertaling van rod met ‘roede’ de (volgens mij) masculien-seksuele metafoor overeind staan (pun intended).

De vierde strofe was de meest lastige, omdat de dichter lijkt te duiden op het oog. De sockets als oogkassen (eyesockets) en de globes als oogbollen. To round the limit is voor zover ik weet geen staande uitdrukking in het Engels. Ik heb het werkwoord de betekenis gegeven van het Nederlandse ‘ronden’ als ‘Wij rondden Kaap de Goede Hoop’. Volgens deel 1 van strofe 3 en deel 1 van strofe 4 maakt de nacht in de ogen plaats voor de dag.

Heb je commentaar op mijn vertaling, laat het me weten!

 

Hoe Vlinder aan haar lange tong komt

Van alle insecten had Vlinder de grootste mond.
Zag ze iets wat haar niet beviel, dan riep ze dat meteen. En ze stak haar tong uit.

‘Hé, moet je niet eens wat meer bewegen, je wordt vet! Bleeeeh!’ riep ze tegen mestkever

‘Klaplopers, als je zo doorgaat loopt het verkeerd met je af! Bleeeeh!’ riep ze tegen miertjes die even aan het spelen waren

Als andere insecten iets terug wilden zeggen, ‘Wat bedoel je?’ of: ‘kom op doe niet zo flauw’, dan fladderde Vlinder toevallig net iets hoger en deed ze of ze het niet hoorde.

Ze zat ’s avonds met ingeklapte vleugels te rusten op een blad toen Rups haar aansprak.
‘Vlinder, waarom roep je steeds onaardige dingen?’

‘Maar dat doe ik toch helemaal niet?’ zei Vlinder. Ik geef gewoon goed advies.’

Rups kon haar niet overtuigen. ‘Maar de anderen vinden je niet leuk meer! Ze horen door al die nare dingen die je roept niet eens de aardige dingen meer die je zegt!’

‘Dat is dan heel stom van ze,’ zei Vlinder. En stak weer haar tong uit. ‘Bleeeeh’.

Toen werd het winter. En op een kraakheldere morgen vloog Vlinder in de zon, met een sjaal om natuurlijk. Terwijl ze onder een tak door vloog, zag ze een bibberende Bij op een bevroren blad zitten.

‘Doe dan ook wat warms aan sufferd! Bleee-hu-huh-heewp!’
– Ze was tegen een ijspegel aangevlogen. Precies op het moment dat ze haar tong uitstak. En die ijspegel was zo koud dat haar tong eraan was blijven plakken!

‘Heeewp!’ riep Vlinder, terwijl ze aan haar tong aan de ijspegel bungelde. ‘Heeewp!’.

Bij keek bibberend naar boven en zag Vlinder hangen. Maar hij had niet veel zin om heel snel hulp te gaan halen. Die vervelende vlinder die haar tong nooit in bedwang kon houden!

Nou ja, vooruit… Na een tijdje was Rups gehaald, en Kever, en de familie Mier. En na weer een tijdje waren ze in de boom geklommen en hadden ze de tong van Vlinder los weten te maken van de ijspegel. En haar met een dekentje om in bed gelegd. Vet lief, toch?

Maar Vlinder had toen al zo lang aan haar tong aan de ijspegel gehangen, dat die helemaal was uitgerekt! Hij paste alleen nog maar opgerold in haar mond. En met volle mond kun je niet goed praten.

Dus als Vlinder voortaan iets zag wat haar niet beviel, dan duurde het wel even voor ze kon roepen. Want ze moest haar hele tong uitrollen. Ondertussen had ze dan tijd genoeg om erover na te denken… ‘Help ik écht door iets te zeggen?’ Meestal was het beter om haar tong in haar mond te houden.

Weet je wanneer ze hem wel uitrolde? Als ze op een bloem zat. Ze kon ineens veel dieper de lekkere nectar opslurpen.

Je zou dus kunnen zeggen dat het er voor de andere insecten rustiger op geworden was. En voor Vlinder smaakte het leven ineens veel zoeter.

 

 

Ik hou van jou zegt Krekel

‘Ik hou van jou. Ik hou van jou. Ik hou van jou.’
Krekel zegt deze woorden terwijl hij zijn haar kamt voor de spiegel.
‘Doe ik het zo goed?’

Sprinkhaan zit op de wc met de klep naar beneden en knikt.
‘Je moet wel diep in de ogen kijken als je het zegt.’

‘Voel je iets?’ vraagt Sprinkhaan.

Krekel kijkt zo diep in de ogen van zijn spiegelbeeld dat hij er duizelig van wordt.
‘Ik word er duizelig van.’

‘Duizelig,’ zegt Sprinkhaan, ‘Nu al hè, kun je nagaan hoe het je voelt als je het zegt tegen iemand die niet op jou lijkt. Ga nog maar even door.’

‘Ik hou van jou. Ik hou van jou. Ik hou van jou.’
Krekel laat de kam zakken en draait zich om naar Sprinkhaan. ‘Wanneer heb ik eigenlijk genoeg geoefend? Als ik niet meer duizelig word?’

‘Nee joh,’ zegt Sprinkhaan. ‘Je hebt genoeg geoefend als je het kan blijven zeggen ondanks dat het je duizelig maakt.’

Kever en Mier

‘Ik ga op reis,’ zegt Kever
‘Dan ga ik met je mee!’ zegt Mier.

Kever staat op.

‘Maar ik ga echt heel ver hoor’
– ‘Ik ga gewoon met je mee!’ zegt Mier.

Ze lopen het bos in.

‘Als ik loop wil ik soms heel veel praten,
en soms zeg ik niets.’
– ‘Dat is goed,’ zegt Mier, ‘ik hoor het wel.’

Je hoort de wind in de takken.

‘Soms ga ik heel hard, en soms heel langzaam,
en soms moet ik even uitrusten,’
– ‘Geef jij het tempo maar aan,’ zegt Mier.

De bomen zijn hoog en staan dicht op elkaar.

‘Als ik struikel, of mijn hoofd stoot aan een tak,
dan kan ik heel erg mopperen. En soms mopper ik
gewoon zomaar, omdat ik me mopperig voel.’
– ‘Ik zal niet terugmopperen en misschien mopper ik
wel gewoon mee,’ zegt Mier.

Ze lopen langs een open plek.

‘Ik ben soms opeens heel blij. Als ik iets moois zie.
Of gewoon zomaar. Dan doe ik een dansje en ik zing!’
– ‘Daar word ik nu al vrolijk van,’ zegt Mier.

Aan de rand van het bos begint de hei. Je kunt ver kijken.

‘Als ik heel ver van huis ben, zoals nu,
dan mis ik thuis. Ik ben een beetje verdrietig.’
– ‘Zal ik je troosten?’
‘Nee het gaat alweer. Zullen we teruggaan?’
– ‘Dan gaan we terug,’ zegt Mier.

Ze zijn weer thuis. Het waait best hard.

– ‘De reis zit erop?’ vraagt Mier.
‘De reis zit erop!’ zegt Kever. ‘Wat fijn dat je mee was.’
– ‘Ja’, zegt Mier. ‘Dat vond ik ook.’

Raadsels

‘De afspraak is: wie het antwoord weet mag het meteen zeggen!’

Het is de derde zondagavond: de maandelijkse raadselavond bij Leeuw.

Specht, Snoek, Merel, Eekhoorn en Leeuw zitten bij elkaar. De glaasjes ranja zijn ingeschonken. Iedereen heeft een bakje chips.

Snoek vertelt het eerste raadsel: 

‘Heb je weer eens in het water gespat
gezwommen, gesurft, in de douche, in het bad?
Dan raak je kledder tot achter je ogen.
Maar wat wordt er nat, juist door te drogen?’

‘Ik weet ‘m, ik weet ‘m!’ roept Leeuw: ‘een handdoek!’

‘Dat antwoord is… goed!’ blubt Snoek

‘Ik wist hem ook,’ zegt Specht, ‘hij riep alleen sneller.’ Leeuw kijkt een beetje verontschuldigend naar haar.

Eekhoorn kucht even en piept dan:

‘Het is dit ding dat graag je nieuwsgierigheid stilt,
Hij vertelt altijd de waarheid, ook als je dat niet wilt,
maar zonder te spreken, want hij is doodstil.’

‘Ik weet ‘m, ik weet ‘m!’, roept Leeuw, ‘een spiegel!’

‘Oh ja, leg eens uit dan,’ zegt Specht, ‘want ik snap hem niet.’

Leeuw bloost en zegt: ‘Je spiegelbeeld laat altijd zien hoe je er echt uitziet, dus vertelt de spiegel altijd de waarheid. Maar hij praat natuurlijk niet.’

‘Klopt!’ zegt Eekhoorn.

‘Hmmm… ik vind hem wat vergezocht,’ zegt Specht, maar Merel gaat alweer:

’Ik ben een donker wezen en reis steeds met je mee
soms voor je uit, soms achter je aan,
soms aan je zij. Over de weg en over de zee,
maar niet in de lucht, en ’s nachts mis je mij.’

Het is even stil. Specht denkt, en denkt, en denkt, terwijl Leeuw naar haar kijkt en op zijn lip bijt en uiteindelijk toch zegt: ‘Mag ik ‘m zeggen dan? Het is volgens mij je schaduw.’

Wauw. Leeuw is echt goed in raadsels vanavond.

Hij wil vooral graag dat Specht dat ziet.

‘Ik ga maar naar huis,’ zegt Specht. ‘Ik weet er geen een vanavond. Niet leuk.’

‘Wacht!’ zegt Leeuw. ‘Dan krijg je er nu eentje. Ik heb hem zelf verzonnen speciaal voor jou dus doe ik niet mee en de rest ook niet. Specht, let op!

‘Het voelt enorm groot, al is het maar klein,
Hoe kan het toch zo ingewikkeld zijn?
Het kost je je nachtrust, het kost je je kop,
en je lost het alleen met een ander op.’

‘Klinkt simpel,’ zegt Specht, ‘laat me even nadenken.’
Ze denkt, en denkt, en denkt… 

De anderen eten een chipje en wachten rustig af.

‘Weet je het al?’ vraagt Leeuw na een tijdje.
‘Ssssst! Ik denk dat ze hem bijna weet! zegt Eekhoorn.
‘Groot, klein… ingewikkeld…’ mompelt Specht.

‘Zal ik het verklappen?’ vraagt Leeuw.
‘Nee!’ zegt Specht, ‘Ik ben heus ook heel goed in raadsels hoor!’

‘Nu wachten we wel heel lang,’ zegt Snoek, ‘volgens mij moeten we de volgende keer maar een kookwekker zetten. Vijf minuten denktijd en anders verklappen.’

‘Nee!’ zegt Specht. ‘Ik ben heus heel goed in raadsels! Het is, het is een sneeuwbal! Want die voelt eerst groot en dan smelt hij en dan voelt hij klein.’

‘Goed bedacht, goed bedacht, ‘zegt Leeuw, ‘maar… van een sneeuwbal lig je toch niet wakker ’s nachts?’

‘Oh nee,’ zegt Specht. ‘Is het vuurwerk dan? Als dat knalt ligt je wakker ’s nachts! Dat kost je je nachtrust.’ 

Maar het is geen vuurwerk.
Het is ook geen mug. Geen muziek op de radio.
Niet de zee.

Alles wat Specht raadt, is het niet. Maar de anderen mogen haar niet helpen.
De hele avond raadt ze het antwoord niet. Als ze vertrekt zegt ze bij de deur tegen Leeuw:
’Dit is jouw raadsel voor mij, en ik wil het zelf oplossen! Je hoort het wel als ik een antwoord heb.’

De volgende morgen vroeg staat Specht bij Eekhoorn op de stoep. ‘Ik heb er de hele nacht niet van geslapen. Ik wil het zo graag oplossen! Zo ingewikkeld kan het toch niet zijn, zo’n klein raadsel?’

‘Hmmm…’ zegt Eekhoorn peinzend. Hoe ging het raadsel ook alweer?’

‘Het voelt enorm groot, al is het maar klein,
Hoe kan het toch zo ingewikkeld zijn?
Het kost je je nachtrust, het kost je je kop,
en je lost het alleen met een ander op.’

‘Haha, ja!’ zegt Eekhoorn, ‘en herhaal nu eens wat je net tegen me zei?’ 

‘Dat ik er niet van heb geslapen. Dat ik het zo graag wil oplossen. Dat het toch niet zo ingewikkeld kan zijn, zo’n klein raadsel…’

‘Hoor je wat je zegt?’ zegt Eekhoorn.
Dan krijgt Specht grote ogen, haar mond valt open, en zegt ze: ‘natuurlijk!’

Trots zit Specht die middag aan tafel bij Leeuw. De anderen zijn er ook. 

‘Ik weet het antwoord! Het antwoord op jouw raadsel is: dit raadsel!’

‘Het voelt enorm groot, al is het maar klein,
Hoe kan het toch zo ingewikkeld zijn?
Het kost je je nachtrust, het kost je je kop,
en je lost het alleen met een ander op.’

‘Ik kon niet slapen van je raadsel. Terwijl ik wist dat het maar een raadsel was. En Eekhoorn hielp me het op te lossen.’

‘Oh,’ stamelt Leeuw, ‘wat, ehm, grappig. Ja dat antwoord is óók goed. Het kan inderdaad een raadsel zijn! Gefeliciteerd! Goed gedaan!’ Hij wil Specht een felicitatiezoen geven maar ze is alweer aan het praten met Eekhoorn.

Terwijl die twee zitten te kletsen buigt Snoek zich opzij naar Leeuw en vraagt zachtjes: ‘Welk antwoord had jij dan bedacht? Als het niet een raadsel was?’

‘De liefde’ zegt Leeuw. ‘Maar das eigenlijk hetzelfde, toch?’