De haren van meneer Van Laren

Bovenop het ronde hoofd van meneer Van Laren
Groeiden toen hij jong was nog wel honderdduizend haren
Ze hadden het gezellig daar, die haren met elkaar
En jongeman Van Laren aaide vaak over zijn haar

Zijn haren speelden spelletjes: tikkertje, domino
Ze dansten arm in arm en spetterden met de shampoo
Meneer van Laren kon ze met een mooie hoed verblijden
En zorgde soms voor roos, dan konden ze sleetje-rijden Lees verder

Honing

Beer floot een deuntje terwijl hij door het bos liep.
Hij was op zoek naar honing en alleen het idee al maakte hem vrolijk.
Maar toen hij een uur gezocht had en nog geen honing had gevonden, floot hij niet meer. Alle bijennesten waren leeg.

‘Hoe moet dat nu, zo zonder honing?’ mompelde Beer bij zichzelf.
‘Hoe kan ik nu ooit nog gelukkig zijn?’ Lees verder

Winterverhaal

De sneeuw lag stil en zwaar op de bomen. Hun takken staken donker af tegen de ochtendschemering. Het bos was koud, mager kroop wat er leefde bij elkaar voor wat warmte. Reeën liepen vele kilometers om voedsel te kunnen vinden, niet zelden vergeefs. Zelfs de beer was door zijn vetvoorraad heen en liet zich bijna dagelijks in de vroege uren van de dag zien bij de beek, om te kijken of hij een gestikte vis onder het ijs vandaan kon halen. Het was hem weken geleden voor het laatst gelukt.

Gekraak in het bos, plotseling. Wat liep daar tussen de bomen? Het was… een meisje! Struikelend over bevroren kluiten en boomwortels naderde ze de rand van het bos. Toen stond ze stil om uit te kijken over de immense vlakte van sneeuw die ze voor zich zag. Geen boom die de lijn van de horizon brak. Alleen, in het midden, een zwart hutje waarvan de ramen met een boze blik het gele licht van flakkerend vuur uitstraalden. Het meisje hijgde in de koude lucht. Wat deed ze hier, op dit vroege uur, op deze afgelegen plek?

Je kon, ondanks de schrammen van takken op haar gezicht, zien dat het een mooi meisje was. Zacht en licht was haar huid, haar lijfje onder de dikke winterjas rank en soepel als katjestakken in de lente. Op haar rode krullen na, die zich nauwelijks hadden laten verstoppen onder een mutsje, leek ze breekbaar en ingetogen. Maar zou je dichterbij komen en in haar groene ogen kijken, dan zou je stilvallen door het leven dat daar fonkelde, om vervolgens door diezelfde lentetwinkeling met kracht op de been te worden gezet. Brigit heette ze. Ze was de oudste dochter van de herder, die zijn huis had ver weg, aan de andere kant van het bos waar de velden overgingen in het veen.

In de winter trok haar vader eropuit met de schapen. De afgelopen weken, als Brigit hem aan het einde van de middag tegemoet liep, keek hij steeds bezorgder. Tot hij aan tafel al zijn zorgen uitsprak: ‘Deze winter duurt te lang. De beesten moeten graven om vreten te vinden, dat kost te veel moeite. En het hooi op de planken is bijna op. De ooien staan nu op het punt van aflammeren maar hebben te weinig kracht om dat gezond te doen.’

Een paar dagen later klopte er, kort nadat de schapen hongerig blatend terug waren gekeerd, een marskramer aan. Potten en manden hadden ze niet nodig, maar ze wilden hun eten wel met de man delen, in ruil voor nieuws. Hij mocht ook slapen op de zolder boven de schapen, want het was te laat om de stad in het oosten nog te bereiken. Ook hij wist van de winter, en vertelde: ‘Deze winter duurt langer dan ooit. Ze zeggen dat het komt door de heks die is neergestreken aan de andere kant van het bos in de verte. Een gemeen mens dat woont in een hutje op kippenpoten, met er omheen een hek van botten van dieren en mensen. Ze laat de mensen hongeren om ze in haar macht te krijgen. Maar wat ze wil weet niemand. En geen mens durft het haar te vragen.’

Ze gingen slapen. Maar niet Brigit. Diep in de nacht stond ze op. Over haar nachthemd trok ze een winterjas aan. Bontlaarzen aan haar blote voeten, een mutsje op haar rode krullen; zo liep ze zachtjes naar de schaapskooi. Ze klom naar de zolder en porde de marskramer wakker: ‘Waar moet ik zijn?’
‘Wat wil je meisje?’ De koopman was meteen klaarwakker.
‘De heks, ik ga haar opzoeken.’
‘Achter het grote woud, een dag gaans naar het Westen. Maar ga niet. Doe dat niet, je bent te jong!’
‘Het moet, de schapen moeten eten want anders gaan hun lammeren dood bij de geboorte. En als de schapen doodgaan hebben wij geen toekomst meer, mijn broertjes en zusjes…’
‘Als je naar de heks gaat, ga je dood!’
‘Help me dan!’
Het was even stil. De vragende blik in haar dwingend groene ogen deed de marskramer de zijne neerslaan. Hij begon te grabbelen in zijn tas.
‘Het schijnt dat de heks… hier, dit rode koord en… deze schaar! Ze zeggen dat ze touw nodig heeft om de mensenknoken van haar hek aan elkaar te knopen. En neem… dit brood mee, misschien brengt dat je bij haar binnen, zij moet toch ook eten? Ik heb verder alleen nog dit fluitje. Het is uitgestorven op de vlakte waar ze woont, misschien stemt het geluid haar mild genoeg om je te ontvangen.’

Met het fluitje aan een lint om haar nek, brood koord en schaar in de zakken van haar jas, daalde het meisje de ladder af. Zonder te groeten liep ze snel naar de deur en verdween in de stille kou.

Zolang ze de weg kende, kwam ze snel vooruit: er stond een heldere maan. Hier was ze met haar schapen ook geweest. Maar verder naar het Westen begon onbekend terrein. Er was nooit een reden geweest om hier te komen, aangezien de stad waar ze hun wol en vlees verkochten in het oosten lag. Rond het middaguur werd het bos zichtbaar en bij het vallen van de avond had ze het bereikt.

Aan de rand van het bos weifelde ze even. Maar de gedachten aan thuis en aan de toekomst deden Brigit tussen de bomen stappen. Ze was vermoeid en hongerig. En doodsbang om te verdwalen. Er zat niets anders op, bedacht ze, dan de rol koord uit haar zak te halen en de schaar, om met rode strengen aan laaghangende takken te kunnen zien waar ze langsgekomen was. In het schijnsel van de maan leek de rode wol wel op te lichten. Toen ze uren gelopen had -ze was een aantal keer gevallen en had haar gezicht gestriemd aan takken en struiken- kwam ze onverwachts voor het hol van de beer te staan. Ze zag de sporen, kon zijn stank ruiken en was doodsbang dat het beest haar achterna zou komen. Er zat niets anders op, bedacht ze, dan het brood achter te laten. Het zou het dier misschien vertragen als het achter haar aan zou komen.

Toen het dalen van de maan en het verbleken van de sterren het begin van een nieuwe dag aankondigden, knoopte het meisje het laatste stukje koord aan een boomtak aan de rand van het bos. Zo zou ze de weg wel terugvinden, als de heks haar had laten gaan. Van de beer had ze niets gehoord. Zonder koord en zonder brood stapte ze wankel het bos uit in de richting van het zwarte hutje op de vlakte van sneeuw. Ze zette het fluitje met bevende hand aan haar mond, maar het lukte haar niet meer om te blazen. Er zat niets anders op, bedacht ze, dan gewoon maar te gaan. Zo was het dus slechts het knerpen van sneeuw dat klonk toen ze een lang spoor in de witte vlakte achterliet, van de bosrand naar het hutje van de heks.

Dat was een afzichtelijk bouwsel. Vuile bemoste planken met een dak van rottend riet. En inderdaad, de marskramer had gelijk gehad, het huisje stond op twee grote kippenpoten. Het schijnsel uit het raam zorgde nog net dat het hek om het hutje bleke schaduwen wierp. Een angstaanjagend hek, van knoken en schedels die door touw bijeengehouden werden. Toen ze door de opening in het hek wilde gaan klonk er een vreselijke stem.

‘Wat doe je hier?’ Het was alsof het door de knoken van het hek werd uitgesproken, er was niemand te zien.
‘Ik kom u bidden om de winter te laten stoppen,’ zei Brigit.
‘Wat heb je daarvoor over?’
‘Ik had koord bij me, voor uw hek. En een brood om te eten. En een fluitje om de stilte te doorbreken. Maar het rode is onderweg opgegaan, het brood moest me voor de beer behoeden en ik heb geen adem meer om mee te fluiten. Ik heb niets meer over dan de kleren die ik aanheb.’
‘Doe je muts af, je jas en laarzen uit en leg ze voor de deur.’
Ze keek snel om zich heen -alleen maar sneeuw- trok jas en laarzen uit en liep blootshoofds en blootsvoets het trapje op naar de deur die tussen de twee ramen in was. Ze legde het stapeltje neer.
‘Nu terug!’
Rillend in haar nachthemd en op blote voeten stapte ze achteruit. De deur kierde open en een klauwachtige hand griste haar kleren naar binnen. De deur sloot. Het bleef stil.
En toen, met krakende gewrichten, strekten de kippenpoten zich en draaiden het huisje om. Birgit keek tegen de raamloze achterkant van het huisje aan.
‘Mevrouw, wat doet u?’ riep ze bibberend. ‘Zijn mijn kleren goed genoeg?’
Uit het huisje kwam geen geluid. Birgit liep er omheen, om de deur te kunnen openen en naar binnen te gaan. Maar zodra ze aan de andere kant was, strekten de kippenpoten zich weer en draaiden het huisje van haar af, met de vensters weer naar het bos gericht.
Ze liep er weer omheen, en opnieuw draaide het huisje van haar af. En weer, en weer. Ze bonkte op de achterkant van het huisje, huilde, schreeuwde met schorre stem. En begon ten slotte terug te wankelen naar het bos, naar huis.

Het was licht geworden, een ijzig koude morgen. En Birgit viel in de sneeuw. Haar prachtige groene ogen, lentebode voor ieder die ze tegenkwam, staarden in vertwijfeling opzij tot ze braken. Haar rode haren staken af tegen de sneeuw om haar hoofd. Ze uitte een laatste snik en stierf.

De laatste warmte die haar lichaam afgaf, smolt de sneeuw die onder haar was. En al het leven dat daaronder al zo lang verscholen lag, begon te groeien. Gras strekte zich uit en groeide. Zaden, die ertussen lagen, barstten open en bloemen schoten op. Een dicht kleed van gras en bloemen groeide in minder dan een uur omhoog, en tilde het lichaam van het meisje dat de winter wilde laten ophouden een stukje de lucht in, in de richting van de zon.

De zon zag het. Hij had zich altijd afzijdig gehouden van wat daar beneden gebeurde maar keek nu recht in de groene ogen van het doodgevroren kind. Hij werd naar ze toe getrokken en hij verzette zich niet. Hij kwam dichter bij de aarde staan en zo werd het plotseling warmer. De sneeuw begon op de hele vlakte te smelten, en met een geruis en zacht geknap en gekraak schoot alles op wat maar groeien wilde, hoger, steeds hoger. De knekels van het hek van de heks vielen door elkaar en vonden elkaar in allerlei vreemde nieuwe vormen, omwikkeld door dovenetels. Wortelstokken sloten zich om de poten onder het huisje, hedera perste zich door de kieren tussen de planken van de vloer en de muren. En met gekraak van hout en glasgerinkel stortte het hutje van de heks in; het begon te branden.

Daar was ze, zichtbaar nu ze haar hok uit vluchtte. De heks. Haar gebogen hoofd gehuld in lang grijs touwachtig haar, met om haar lijf de jas van het meisje. Geen bezemsteel om weg te vliegen, geen vijzel om zich door de lucht te verplaatsen. Ze zette het op een lopen, in de richting van het bos en vond onder de druipende takken het spoor van rode strengen. Daar ging het mens, met een snelheid die onmogelijk leek en dat misschien ook wel was, tussen de bomen. Recht in de klauwen en de muil van de beer. Leve de lente!

De herder heeft een nieuw huis gebouwd op de vruchtbare vlakte, aan de andere kant van het bos in het Westen, dichtbij de plek waar hij zijn dochter heeft begraven. Ze zien hazen, reeën en soms zelfs een beer bij haar graf. Maar de ooien en hun lammeren laat die laatste ongemoeid.
Het is alsof de zon op die plek altijd net iets feller schijnt.
En als ze in de winter de sneeuw van haar graf wegvegen komt er altijd wel een bloem tevoorschijn, of een plant die ondanks alles groeit. Met rode knoppen of ranke takken, maar altijd met blaadjes. Blaadjes zo groen als de ogen van de lente.

Meer verhalen lezen? Koop dan mijn E-book

Adelberts val

Adelbert was 26 toen hij de kerk van Anloo binnenstapte en viel.

Nu is vallen niet zo vreemd. Ieder van ons wankelt wel eens, door een moment van onachtzaamheid, te veel met je hoofd bezig en te weinig met de grond waarop je je beweegt. Maar Adelbert viel terwijl… zijn voeten op de grond bleven staan met de rest van zijn lijf er keurig boven.

Adelbert, 26 en plotseling broodnuchter -je kent die gekke gewaarwording wel hoe de tijd lijkt te vertragen tot een slow motion en je je van elke vezel bewust bent voordat de klap komt- Adelbert viel uit zijn eigen lichaam.  Dus terwijl een deel van hem rechtop bleef staan, strekte een ander deel traag zijn armen om de klap op de kerkvloer op te vangen. De klap die niet kwam. Want Adelbert viel door de vloer.

Als het zijn lichaam was geweest dat viel, had ik gezegd ‘dwars door de vloer.’ Maar de Adelbert die viel gleed ongehinderd door de plavuizen en door wat daaronder was. Skeletten van rijke gelovigen die daar lang vergeten lagen. Hij passeerde de houten fundering. De resten van eerdere houten kerken waarover de stenen Magnus nu al eeuwen victorie kraaide.

Sneller viel hij nu. Door lagen zand, water en klei. En zoals je kunt verwachten wanneer iemand meer dan 20 seconden alleen maar valt, beginnen gedachten het innerlijk razen te overstemmen. Dus Adelbert merkte dat hij viel en dat zijn val niet stopte maar juist steeds sneller ging en hij dacht: dit was het dus. Nu maar wachten op de fotocollage die hem zijn veel te korte leven zou laten zien met alle hoog- en dieptepunten en dan… god wat zou er dan nog volgen? Het grote niets? Zoetsappig engelengezang? Helse hitte en eeuwige kwelling waar de pastoor hem naar verwenst had? In wiens ogen hij een klaploper was, een zwerver en fantast. Enkel omdat hij zijn vrijheid niet wilde uitleveren in ruil voor religieuze angst. En er schoot door hem heen dat hij voor hij binnenging nog tegen de kerkmuur had aangezeken…

Het werd weliswaar steeds warmer om hem heen, maar die warmte leek hem niet te deren. En de diapresentatie van zijn geboorte tot zijn voortijdig graf diende zich niet aan. En zijn vallen leek een eeuwigheid te duren. Hij viel zo lang dat hij opeens niet bang meer was te vallen. En Adelbert realiseerde zich toen pas dat hij daar altijd bang voor was geweest. Bij alles wat hij deed was er blijkbaar die behoedzaamheid dat hij niet los zou laten en niet losgelaten zou worden. Want als hij zou vallen waar was dan de grond onder zijn bestaan? Maar nu, in vrije val, ontdekte hij dat zijn hang naar vrijheid óók niets meer was dan een zich vastklampen aan een idee van wat vrijheid moest zijn. Om maar niet te vallen.

De hitte waarvan hij wist dat die er was, maar die hij niet voelde nam toe, toen Adelbert steeds zachtere lagen doorgleed in zijn val. Gesmolten gesteente, magma, hét bewijs dat de vaste grond die we onder de voeten denken te hebben niet zo vast is als we denken. Maar daaronder ligt de vaste aardkern die niet beweegt of wankelt en daar zag hij niets meer. Hij voelde alleen nog maar dat hij viel. En in het donker gaf hij zich over aan zijn vallen. Zijn vallen door de aarde.

Dwars door de kern van de aarde viel Adelbert. En toen was hij aan de andere kant van de kern. Hij bleef vallen, dat voelde hij, maar hij bedacht zich dat het niet meer naar beneden was dat hij viel nu. De kern voorbij, dwars door het middelpunt, viel hij nu omhoog. Was zijn vallen nog wel vallen, of was het nu het omgekeerde? Of viel hij nu naar buiten in plaats van naar binnen? Wat was binnen en wat buiten, de kern, wat onder en wat boven voor iemand die alleen maar viel…

Door lagen magma, toen gesteente, grond, klei, zand en water een houten fundering en met een klap maar zonder te breken kwam Adelbert neer op zijn voeten in het lijf dat keurig in de deuropening van de kerk van Anloo stond.

Alleen van binnen trilde hij nu. Het was nog donker buiten maar de eerste merels floten al en binnenin hem leefde alles. Hij was gevallen uit zichzelf en viel uiteindelijk in zichzelf terug. Maar hij had gezien hoe enorm de aardlaag is die onze voeten draagt. Hoe dichtbij nog de mensen en de geschiedenis die ons zijn voorgegaan. Hoe kostbaar het licht van de dag.

Adelbert was dezelfde nog, nou ja, misschien niet helemaal. De Adelbert die zich omdraaide en in het eerste daglicht de kerk van Anloo verliet was onzichtbaar anders. En als daar een woord aan gegeven moest worden, dan zouden we zeggen “binnenstebuiten.” Of in elk geval “ondersteboven”.

Adelberts Val heb ik geschreven voor de opening van kunstexpositie Art Project in de Magnuskerk te Anloo, bij de werken van Hieke Veenstra en Kitty Boon.

Meer verhalen lezen? Koop dan mijn E-book

Vuurwerk

‘Opa, oma!’ De stem van Kim echoot door de stille straat.
Kim mag opendoen voor oma en opa en kan niet wachten tot ze door de voortuin naar de deur gelopen zijn. Oma en opa komen Oud en Nieuw vieren.
‘Dag meissie!’ zegt opa.
‘Ik hoorde dat je vanavond voor het eerst mag opblijven, spannend!’ zegt oma als ze Kim een kus geeft.

Dat is waar. Voor het eerst mag Kim de hele avond opblijven tot het twaalf uur is. Samen met papa heeft ze een beetje vuurwerk gekocht. Mooi vuurwerk en sterretjes. Zo gezellig dat opa en oma er zijn!

Als ze na het eten thee drinken met een oliebol erbij, neemt Kim oma en opa mee naar het hoekje naast de bank waar het vuurwerk ligt. Fonteinen, een pakje rotjes voor papa, en een pak met romeinse kaarsen. Twee aansteeklonten liggen erbij, dat moet genoeg zijn. En de sterretjes natuurlijk. Kim krijgt helemaal een kleur als ze op een plaatje in de folder laat zien hoeveel gekleurd licht de fonteinen moeten geven.

Dan haalt oma een kado tevoorschijn: ‘Over licht gesproken: opa en ik hebben ook vuurwerk meegenomen! Je mag het pas openmaken als het twaalf uur is, dan gaan we dit ook aansteken!’
Het is een langwerpig rechthoekig pak. Een beetje zwaar. Zou er ook een romeinse kaars in zitten? Spannend! Kim legt het pak bij haar vuurwerk.

Het is gelukt. Kim is wakker gebleven. Ze heeft wel even lekker tegen opa aangehangen op de bank, maar toen het half twaalf was, werd ze weer klaarwakker. Om kwart voor twaalf heeft ze haar jas al aan, en haar pyjamabroek onder haar spijkerbroek tegen de kou. Dan is het twaalf uur. Ze feliciteren elkaar, ‘gelukkig nieuwjaar’ en voordat het vijf over twaalf is staat Kim buiten met papa om het vuurwerk af te steken. Mama blijft met oma en opa binnen kijken bij het raam. Eerst de sterretjes, terwijl papa zijn rotjes opknalt. Dan de romeinse kaarsen, stevig in de grond. En als laatste de fonteinen. Ze geven prachtig fel licht, dat zie je zelfs nog voor je als ze al uit zijn gegaan.

Al het vuurwerk is op. Het was heel leuk, maar het geeft wel een beetje een leeg gevoel dat er niets meer over is. Maar wacht… het pakje van oma en opa is er nog! Snel loopt Kim naar binnen om ernaar te vragen.

‘Dit is speciaal vuurwerk voor binnen!’ zegt oma.
Wat zit erin? Kim haalt het papier eraf: er zit een lange doos van grijs dun karton in. En uit de doos komt tevoorschijn… een kaars. Geen romeinse kaars, maar een echte kaars.
‘Zet hem maar eens neer’ zegt opa, ‘hij is speciaal voor jou.’
De kaars is mooi versierd, en weet je wat erop staat? In van die gekleurde letters van kaarsenwas? “Gelukkig nieuwjaar Kim!”

‘Dat is toch geen vuurwerk moeder,’ zegt papa tegen oma.
‘Het geeft toch licht?’ zegt oma. ‘En hij doet het nog veel langer dan welke fontein ook. Dit is vuurwerk waar je het hele jaar wat aan hebt. En volgend jaar krijg je een nieuwe.’

Kim is er heel blij mee! Haar eigen kaars. De kaars mag nog eventjes aan, en dan gaan ze allemaal naar bed. En het is waar. De kaars doet het ook weer als ze de volgende morgen samen ontbijten. Alleen papa mompelt nog wat over ‘liever een honderdduizendklapper.’ Maar papa is gewoon jaloers. Op de kaars van Kim.

Mooi verhaal? Ik schreef een boek met verhalen, verkrijgbaar als e-book: De wind zoekt een stem