Laat gisteren gaan – leef vandaag!

Er zijn in iedere week twee dagen waarover we ons geen zorgen zouden moeten maken. Twee dagen die we niet moeten bekijken met welke vorm van angst of zorgen dan ook.Lees deze tekst uit 1900

De eerste dag: gisteren

De eerste van deze twee is gisteren, met zijn vergissingen en zorgen, zijn ongemak en zijn pijn, zijn fouten en blunders. De dag van gisteren is voorgoed ontsnapt aan onze greep. Met geen geld ter wereld kunnen we gisteren terugkopen. We kunnen niet één ding dat we deden ongedaan maken. We kunnen niet één woord dat we zeiden uitwissen. We kunnen geen enkele vergissing rechtzetten. De dag van gisteren ligt voorgoed voorbij onze mogelijkheden om iets ervan te herroepen. Laat gisteren gaan.

De tweede dag: morgen

De andere dag waarover we ons geen zorgen zouden moeten maken is morgen: met zijn mogelijke strijd, zijn stress, grote beloften en eventueel falen. Ook de dag van morgen ligt voorbij onze mogelijkheden.

De zon zal morgen opgaan in heldere stralen of achter een dik pak wolken – maar hij zál opgaan. En tot dat hij dat doet, kunnen wij geen grip krijgen op de dag van morgen. Omdat die, tot dat moment, niet geboren zal zijn.

Alleen: vandaag

Er is dus maar 1 dag om mee om te gaan: vandaag. Een mens kan slechts de strijd voeren van één dag tegelijk.

De dag van gisteren en de dag van morgen brengen zinloze zorgen. Laten we daarom besluiten dat we per dag niet met meer proberen om te gaan dan wat die dag op onze weg komt. Elke dag opnieuw.

Robert J.Burdette (1844-1914), Amerikaanse humorist/predikant

vertaling en bewerking: Kaj van der Plas

Lees hier het prachtige gedicht van Henry Scott Holland:

– wie dood is is niet weg

De koning en de duif – verhaal over vervolging

Er was eens, lang geleden, in een land hier ver vandaan, een koning die heel chagrijnig was. De mensen waren bang voor hem, ook zijn eigen lakeien en ministers.

Ze bogen altijd heel diep als hij voorbij kwam. Dat leek heel deftig, maar ze hadden het zelf bedacht. Als ze gebogen stonden hoefden ze namelijk niet naar zijn woeste gezicht te kijken. De enige die naar de koning keek was hij zelf. ’s Ochtends bij het tandenpoetsen, in de spiegel.

Het paleis had een duiventil. Daarin zaten de postduiven die gebruikt werden om berichten te versturen. Op een dag stond de koning voor het raam van zijn paleis en zag dat de duiven vrijgelaten waren voor hun dagelijkse vliegtocht. Een zwerm die pijlsnel en met een “zwoesjjj” van vleugels rondjes vloog boven de tuin en de torens van het paleis. Toen zag de koning hoe een duif landde op het standbeeld van de vorige koning, zijn vader. En daar “flats” wat witte duivenpoep op liet vallen.

‘Hofmaarschalk’ riep de koning.
De hofmaarschalk kwam buigend naar de koning toe. ‘Ja, sire?’
‘Hofmaarschalk, al die duiven… Ik heb last van hun gevlieg. En ze poepen op mijn vader. Dat is verboden. In de wet staat dat iedereen respect moet hebben voor de koning en zijn familie. Ze moeten dus gestraft worden.Geef mijn lijfwacht de opdracht om de duiven de nek om te draaien. Morgenochtend negen uur moet dat gebeuren zijn. We zullen post voortaan per paard brengen.’
‘Ja, sire, uw wil geschiede!’ Buigend liep de hofmaarschalk weer weg.

Die middag klonk er een kinderstem in het paleis. Het was de duivenmelkster, het meisje dat voor de duiven zorgde. ‘Ik wil de koning spreken!’
De stem van een lijfwacht zei: ‘De koning wil niet gestoord worden, hij houdt niet van kinderen, dus wegwezen jij!’

Maar het meisje verzon er iets op. Ze verstopte zich in de keuken in het karretje met de koninklijke theepot. En toen de koning door buigende lakeien zijn thee ingeschonken kreeg, kroop ze te voorschijn.

Ze stond voor de koning en ze boog niet. Ze keek hem boos aan.
‘Wie, wie, wie,’ de koning stotterde ervan. Er was al heel lang niemand meer die hem had aangekeken.
Het duivenmeisje zei: ‘Sire, u wilt mijn duiven doodmaken. Zij brengen al jaren trouw de post uit heel uw koninkrijk. Is dit hoe u ze beloont?’

De mond van de koning werd een streep:
‘Vies zijn ze, jouw duiven. Er heeft er een op het standbeeld van mijn vader gescheten. Dat is tegen de wet. Daarom moeten al die duiven gewoon verdwijnen.’

‘Ook deze duif?’
Het meisje haalde uit de zak van haar jas een witte duif te voorschijn,die daar al die tijd kalm gezeten had. Voor hij het wist had ze de vogel bij de koning in zijn handen gedrukt.

De koning keek naar de duif en hield haar zachtjes vast.Hij voelde het warme lijfje en de snelle ademhaling. Hij was er stil van.

Toen zei het duivenmeisje: ’U hebt de macht koning,om te doen wat u wilt. U hebt de vrijheid om te bepalen wat er gebeurt. Als u mijn duiven dood wilt hebben, moet u maar met deze beginnen.’

Dát kon de koning niet. Hij zette zijn boze gezicht nog even op, maar toen verscheen er een klein glimlachje. Want hij bedacht hoe dapper het duivenmeisje was geweest.

De volgende morgen om negen over negen vlogen de duiven gewoon weer rond het paleis. En toen er eentje een poepje op het standbeeld deed,verscheen het duivenmeisje met een ladder en een emmer. Ze klom omhoog en poetste de vlekken van het standbeeld. Bovenaan de ladder draaide zich om en keek even naar het raam waar de koning stond. Ze lachte en zwaaide. De koning zwaaide terug.

Lees nog een mooi spiegelverhaal, over hoe je gelukkig wordt…

Gedicht: Zeg ze niet dat ik slaap

Wat zeg je tegen kinderen als oma, opa, papa of mama is overleden? Daarover gaat dit gedicht. Het werd gepubliceerd in magazine Woord en Dienst. En op mijn eigen gedichtenblog doorjeoogharen.nl

Zeg ze niet dat ik slaap

Zeg ze niet dat ik slaap
want de slaap is een vriend
dus die doet zoiets niet.

En ik ben ook geen ster
die ze welwillend ziet
want een ster is te ver.

Is het echt beter zo?
De pijn is voorbij
maar het is nergens hemel

waar we niet samen zijn.
Zeg ze niet wat ik ben,
waar ik ben, het is geheim.

Iemand laten gaan: lees ook het gedicht ‘Laten varen‘.

Een geheim is een zaadje
dat drijft op de wind
zonder dat je het weet

een klein holletje vindt
zich er nestelt en groeit
en dan net als je dacht

dat de nacht
nooit meer weggaat

als een bloem
naar je lacht.

– Kaj van der Plas –

Professor Geluk

Vanaf het moment dat ik een kleine jongen was, wilde ik altijd alles weten. Mijn vader en moeder grapten wel eens naar elkaar, dat ik in de ‘waarom-fase’ was blijven hangen. Mijn opa vond het altijd prachtig. Hij woonde in het huis naast ons, ik zag hem elke dag. Hij vond dat vragen wel leuk, hij moedigde het zelfs aan! Hij gaf altijd de prachtigste antwoorden als ik wat vroeg. En als hij een antwoord niet wist, dan verzon hij er gewoon een. Heel geduldig was hij, als hij uitlegde hoe een regenboog zonlicht is dat dwars door het water heen schijnt, of dat zand eigenlijk uit gemalen rotsen bestaat. Dat de wereld een wonderlijke plek is en dat de mensen wonderlijke wezens zijn.

In het weekend maakten we lange wandelingen door het bos en dan leerde hij me de namen van de bomen. ‘Opa, waarom zijn de blaadjes toch groen en het gras?’
‘Groen is de lievelingskleur van God, jongen, en die herinnert de mensen aan het paradijs. Daarom worden ze zo rustig van groen. Daarom is groen op het stoplicht de kleur van veilig.’ Maar we hadden het samen ook over mensen en over de kinderen op school.

Ik moet een jaar of tien zijn geweest toen ik de woorden ‘geluk’ en ‘gelukkig’ leerde. Dat was bij juffrouw Lea, zelf niet de meest gelukkig uitziende juf als ik aan haar terugdenk. En thuis gekomen vroeg ik opa hoe het zat met gelukkig zijn.
‘Wat is nou precies geluk?’
‘Eh,’ zei opa, ‘geluk is een fijn gevoel van binnen,’ en zweeg toen. Voor het eerst was ik met zijn antwoord niet tevreden. Want hoe dan? Hoe word je gelukkig? Die vraag bleef me bezighouden.

De tijd ging verder, ik belandde op de middelbare school. De gesprekken met opa bleven. Toen ik dertien was, kwam ik op een keer opgewonden thuis.
‘Opa,’ zei ik.
‘Ja Ko,’ zei hij.
‘Opa ik weet het, ik weet hoe het zit met geluk. Geluk is iets dat je krijgt als je goed je best doet. En als je steeds zorgt voor andere mensen. Wie zich goed gedraagt krijgt het geluk dat hij verdient.’
Hij bleef een tijdje stil en zei toen: ‘Weet je, het wordt misschien eens tijd dat je de krant gaat lezen.’
Opa knipte elke dag een paar berichtjes voor me uit, en daar praatten we dan over. Berichtjes over leiders van landen die baadden in luxe terwijl hun onderdanen straatarm waren. Berichten over misdadigers die rijk werden terwijl eerlijke mensen omkwamen van de honger. Dat idee van rechtvaardigheid als oorzaak van geluk, je snapt het, raakte ik snel kwijt. Geluk is niet iets dat je met goed gedrag kunt afdwingen.

Toen ik 18 jaar was, kon ik gaan studeren aan de universiteit. Opa was apetrots op me. Ik ging, zoals te verwachten was, filosofie studeren. Echt een studie voor iemand die houdt van vragen stellen en antwoorden zoeken met je gedachten. Het ging erg goed! Als ik in de weekenden thuiskwam, was opa altijd erg geïnteresseerd in wat ik geleerd had.
Ik kwam in die tijd een nieuw idee tegen over geluk. Geluk is het gebrek aan ongeluk. Geluk is niet ongelukkig zijn. Als je feestviert, en een tikje teveel drinkt, ben je niet ongelukkig omdat je je zorgen even bent vergeten. Was dit een excuus om me eens flink in het nachtleven te storten? Ik zag het liever als een experiment.
Het was een fijne tijd was en ik dacht soms even dat ik het antwoord op de vraag naar geluk gevonden had. Maar diep in mijn hart wist ik beter. Deze manier van geluk is geen geluk. Het gaat voorbij zodra de roes van een feest weer voorbij gaat. Zo je geluk zoeken, is als het grijpen naar de wind.
Maar wat dan? Wat kunnen de mensen het beste doen in de weinige dagen die zij leven? Hoe worden zij gelukkig en… wat is nu precies geluk?

Toen ik voor mijn studie geslaagd was, vroegen ze me of ik door wilde leren. Ik wilde wel en ging onderzoeken wat beroemde filosofen geschreven hadden over geluk en gelukkig zijn. Dat leidde er uiteindelijk toe, dat ik doctor in de filosofie werd en een baan kreeg aangeboden aan een buitenlandse universiteit. Ik ging goed verdienen, had een mooi appartement en mooie kleren. Ik had het echt goed. En het werd belangrijk voor me om steeds meer te verdienen. Ik wilde me nog beter, nog gelukkiger voelen. Ik vertelde mijn opa een keer dat ik eindelijk doorhad hoe geluk in elkaar zit: geld, inkomen, een goed leven hebben. Opa dacht daar een beetje anders over, en vertelde over de boerderij van zijn ouders. Hoe gelukkig hij was toen hij in de oorlog de blijdschap zag van de mensen die op hun fiets eten kwamen zoeken, op het moment dat zijn ouders hun het eten niet verkochten maar gaven. Ik luisterde niet echt. Ik had immers het antwoord op mijn levensvraag gevonden! Ik schreef er een boek over, dat veel werd verkocht. Collega’s noemden me ‘Professor Geluk’.

Kort geleden werd ik gebeld door mijn moeder. Het ging slecht met opa, of ik snel thuis wilde komen. Ik heb me echt heel erg gehaast, maar toen ik thuiskwam was hij al gestorven. De dominee op de begrafenis had het over dankbaar zijn voor al de herinneringen die je aan iemand kunt hebben. Toen ik na de begrafenis naar huis toe reed, moest ik daaraan denken.

Verdriet is iets vreselijks trouwens. Je kunt niet meer genieten van wat je hebt. Alles wat je hebt gespaard en vergaard, je mooie huis, je spullen, je kleren -het raakt je niet meer, het doet je niets meer. Verdriet ontneemt de dingen hun gelukkige glans. Opa’s dood maakte plotseling een einde aan mijn geluk. Ik had het al die tijd verkeerd gehad. Wat moet een mensenkind doen in dit korte leven onder de zon? Wat stelt je geld voor als je dood kunt gaan en wat stelt wat je hebt voor als je vrienden overlijden? Het goede leven heeft in wezen niets met diep geluk te maken.

Was ik dankbaar voor de herinneringen aan opa? Ja! Ik dacht in de auto na over alle dingen die ik met hem beleefd had, onze gesprekken toen ik een kind was. En toen brak ineens de zon door. Verrassend warm streelden de stralen over mijn handen op het stuur en over mijn gezicht. Ik was in die tijd gelukkig geweest! En midden, dwars door mijn verdriet heen voelde ik iets van dat geluk in mijn binnenste en ik moest glimlachen. Opa…

Het komt nog wel eens voor dat een van mijn collega’s me vraagt naar mijn project, mijn onderzoek naar geluk. Dan glimlach ik meestal even en zeg: ‘Weet je: het gaat er eigenlijk helemaal niet om dat je weet wat gelukkig zijn precies is, of dat je precies weet welke dingen gelukkig maken. Het najagen van geluk is alsof je probeert de wind vast te pakken: waardeloze wijsheid. Het gaat er om dat je plotseling kunt beseffen: goddank, wat ben ik nu gelukkig. En die ervaring heeft niets te maken met wie je bent, wat je doet, of wat je hebt. Die ervaring overkomt je dankzij anderen. Die ervaring is echt een godsgeschenk.’

Lees hier een spiegelverhaal over ‘nee’ zeggen… als enige.

Als mensen bomen zijn – gedicht

Voor het kindergedicht “Mensen zijn als bomen” klik hier.

Als mensen bomen zijn
hun voeten de wortels
hun benen als stammen
knoestige inborst
hoofden vol dromen
de kroon op het werk.

Als mensen bomen zijn
gevoelens, gedachten
als vogels verborgen
tussen de bladeren
je hart hoort ze soms
vaak zie je ze niet.

Als mensen bomen zijn
takken en wortels gestrekt
naar hemel en aarde
naar God en naar mensen

hoe ze ook vallen
ze worden
opgevangen.

Kaj van der Plas –

Lees ook mijn gedicht over iemand die het leven uit glijdt: afvaart.

Mensen zijn als bomen
Mensen zijn als bomen,
Als je aan een boom zou vragen:
hé boom, sta jij nou graag alleen?
Dan zou hij, denk ik zeggen:
geef mij maar boompjes om me heen.

Zou je aan je vader vragen:
Hé vader, sta jij graag alleen?
Dan zou hij, denk ik zeggen:
geef mij maar mensen om me heen.

Als je aan een boom zou vragen:
aan wie geef jij het leven door?
Dan zou hij, denk ik zeggen:
daar heb ik nou mijn takken voor.

Zou je aan je moeder vragen:
aan wie geef jij leven door?
Dan zou ze, denk ik zeggen:
ja, kijk, daar heb ik jou nou voor.

Zou je aan je oma vragen:
jouw leven, waar komt dat vandaan?
Dan zou ze denk ik zeggen:
van oma’s die niet meer bestaan.

Dus bomen zijn als mensen:
geen van twee staat graag alleen,
in kinderen en takken, zo groeit
er leven om ons heen.

Jij, je vader en moeder,
dat is een soort van levensboom;
die tak een eindje verder,
dat is een tante of oom.

Maar die opa’s en oma’s die
jaren terug gestorven zijn?
Ja, kijk, ik zal maar zeggen,
dat zullen wel de wortels zijn.

Gedicht toegeschreven aan Adri Bosch