Ik hou van jou zegt Krekel

‘Ik hou van jou. Ik hou van jou. Ik hou van jou.’
Krekel zegt deze woorden terwijl hij zijn haar kamt voor de spiegel.
‘Doe ik het zo goed?’

Sprinkhaan zit op de wc met de klep naar beneden en knikt.
‘Je moet wel diep in de ogen kijken als je het zegt.’

‘Voel je iets?’ vraagt Sprinkhaan.

Krekel kijkt zo diep in de ogen van zijn spiegelbeeld dat hij er duizelig van wordt.
‘Ik word er duizelig van.’

‘Duizelig,’ zegt Sprinkhaan, ‘Nu al hè, kun je nagaan hoe het je voelt als je het zegt tegen iemand die niet op jou lijkt. Ga nog maar even door.’

‘Ik hou van jou. Ik hou van jou. Ik hou van jou.’
Krekel laat de kam zakken en draait zich om naar Sprinkhaan. ‘Wanneer heb ik eigenlijk genoeg geoefend? Als ik niet meer duizelig word?’

‘Nee joh,’ zegt Sprinkhaan. ‘Je hebt genoeg geoefend als je het kan blijven zeggen ondanks dat het je duizelig maakt.’

Kever en Mier

‘Ik ga op reis,’ zegt Kever
‘Dan ga ik met je mee!’ zegt Mier.

Kever staat op.

‘Maar ik ga echt heel ver hoor’
– ‘Ik ga gewoon met je mee!’ zegt Mier.

Ze lopen het bos in.

‘Als ik loop wil ik soms heel veel praten,
en soms zeg ik niets.’
– ‘Dat is goed,’ zegt Mier, ‘ik hoor het wel.’

Je hoort de wind in de takken.

‘Soms ga ik heel hard, en soms heel langzaam,
en soms moet ik even uitrusten,’
– ‘Geef jij het tempo maar aan,’ zegt Mier.

De bomen zijn hoog en staan dicht op elkaar.

‘Als ik struikel, of mijn hoofd stoot aan een tak,
dan kan ik heel erg mopperen. En soms mopper ik
gewoon zomaar, omdat ik me mopperig voel.’
– ‘Ik zal niet terugmopperen en misschien mopper ik
wel gewoon mee,’ zegt Mier.

Ze lopen langs een open plek.

‘Ik ben soms opeens heel blij. Als ik iets moois zie.
Of gewoon zomaar. Dan doe ik een dansje en ik zing!’
– ‘Daar word ik nu al vrolijk van,’ zegt Mier.

Aan de rand van het bos begint de hei. Je kunt ver kijken.

‘Als ik heel ver van huis ben, zoals nu,
dan mis ik thuis. Ik ben een beetje verdrietig.’
– ‘Zal ik je troosten?’
‘Nee het gaat alweer. Zullen we teruggaan?’
– ‘Dan gaan we terug,’ zegt Mier.

Ze zijn weer thuis. Het waait best hard.

– ‘De reis zit erop?’ vraagt Mier.
‘De reis zit erop!’ zegt Kever. ‘Wat fijn dat je mee was.’
– ‘Ja’, zegt Mier. ‘Dat vond ik ook.’

Raadsels

‘De afspraak is: wie het antwoord weet mag het meteen zeggen!’

Het is de derde zondagavond: de maandelijkse raadselavond bij Leeuw.

Specht, Snoek, Merel, Eekhoorn en Leeuw zitten bij elkaar. De glaasjes ranja zijn ingeschonken. Iedereen heeft een bakje chips.

Snoek vertelt het eerste raadsel: 

‘Heb je weer eens in het water gespat
gezwommen, gesurft, in de douche, in het bad?
Dan raak je kledder tot achter je ogen.
Maar wat wordt er nat, juist door te drogen?’

‘Ik weet ‘m, ik weet ‘m!’ roept Leeuw: ‘een handdoek!’

‘Dat antwoord is… goed!’ blubt Snoek

‘Ik wist hem ook,’ zegt Specht, ‘hij riep alleen sneller.’ Leeuw kijkt een beetje verontschuldigend naar haar.

Eekhoorn kucht even en piept dan:

‘Het is dit ding dat graag je nieuwsgierigheid stilt,
Hij vertelt altijd de waarheid, ook als je dat niet wilt,
maar zonder te spreken, want hij is doodstil.’

‘Ik weet ‘m, ik weet ‘m!’, roept Leeuw, ‘een spiegel!’

‘Oh ja, leg eens uit dan,’ zegt Specht, ‘want ik snap hem niet.’

Leeuw bloost en zegt: ‘Je spiegelbeeld laat altijd zien hoe je er echt uitziet, dus vertelt de spiegel altijd de waarheid. Maar hij praat natuurlijk niet.’

‘Klopt!’ zegt Eekhoorn.

‘Hmmm… ik vind hem wat vergezocht,’ zegt Specht, maar Merel gaat alweer:

’Ik ben een donker wezen en reis steeds met je mee
soms voor je uit, soms achter je aan,
soms aan je zij. Over de weg en over de zee,
maar niet in de lucht, en ’s nachts mis je mij.’

Het is even stil. Specht denkt, en denkt, en denkt, terwijl Leeuw naar haar kijkt en op zijn lip bijt en uiteindelijk toch zegt: ‘Mag ik ‘m zeggen dan? Het is volgens mij je schaduw.’

Wauw. Leeuw is echt goed in raadsels vanavond.

Hij wil vooral graag dat Specht dat ziet.

‘Ik ga maar naar huis,’ zegt Specht. ‘Ik weet er geen een vanavond. Niet leuk.’

‘Wacht!’ zegt Leeuw. ‘Dan krijg je er nu eentje. Ik heb hem zelf verzonnen speciaal voor jou dus doe ik niet mee en de rest ook niet. Specht, let op!

‘Het voelt enorm groot, al is het maar klein,
Hoe kan het toch zo ingewikkeld zijn?
Het kost je je nachtrust, het kost je je kop,
en je lost het alleen met een ander op.’

‘Klinkt simpel,’ zegt Specht, ‘laat me even nadenken.’
Ze denkt, en denkt, en denkt… 

De anderen eten een chipje en wachten rustig af.

‘Weet je het al?’ vraagt Leeuw na een tijdje.
‘Ssssst! Ik denk dat ze hem bijna weet! zegt Eekhoorn.
‘Groot, klein… ingewikkeld…’ mompelt Specht.

‘Zal ik het verklappen?’ vraagt Leeuw.
‘Nee!’ zegt Specht, ‘Ik ben heus ook heel goed in raadsels hoor!’

‘Nu wachten we wel heel lang,’ zegt Snoek, ‘volgens mij moeten we de volgende keer maar een kookwekker zetten. Vijf minuten denktijd en anders verklappen.’

‘Nee!’ zegt Specht. ‘Ik ben heus heel goed in raadsels! Het is, het is een sneeuwbal! Want die voelt eerst groot en dan smelt hij en dan voelt hij klein.’

‘Goed bedacht, goed bedacht, ‘zegt Leeuw, ‘maar… van een sneeuwbal lig je toch niet wakker ’s nachts?’

‘Oh nee,’ zegt Specht. ‘Is het vuurwerk dan? Als dat knalt ligt je wakker ’s nachts! Dat kost je je nachtrust.’ 

Maar het is geen vuurwerk.
Het is ook geen mug. Geen muziek op de radio.
Niet de zee.

Alles wat Specht raadt, is het niet. Maar de anderen mogen haar niet helpen.
De hele avond raadt ze het antwoord niet. Als ze vertrekt zegt ze bij de deur tegen Leeuw:
’Dit is jouw raadsel voor mij, en ik wil het zelf oplossen! Je hoort het wel als ik een antwoord heb.’

De volgende morgen vroeg staat Specht bij Eekhoorn op de stoep. ‘Ik heb er de hele nacht niet van geslapen. Ik wil het zo graag oplossen! Zo ingewikkeld kan het toch niet zijn, zo’n klein raadsel?’

‘Hmmm…’ zegt Eekhoorn peinzend. Hoe ging het raadsel ook alweer?’

‘Het voelt enorm groot, al is het maar klein,
Hoe kan het toch zo ingewikkeld zijn?
Het kost je je nachtrust, het kost je je kop,
en je lost het alleen met een ander op.’

‘Haha, ja!’ zegt Eekhoorn, ‘en herhaal nu eens wat je net tegen me zei?’ 

‘Dat ik er niet van heb geslapen. Dat ik het zo graag wil oplossen. Dat het toch niet zo ingewikkeld kan zijn, zo’n klein raadsel…’

‘Hoor je wat je zegt?’ zegt Eekhoorn.
Dan krijgt Specht grote ogen, haar mond valt open, en zegt ze: ‘natuurlijk!’

Trots zit Specht die middag aan tafel bij Leeuw. De anderen zijn er ook. 

‘Ik weet het antwoord! Het antwoord op jouw raadsel is: dit raadsel!’

‘Het voelt enorm groot, al is het maar klein,
Hoe kan het toch zo ingewikkeld zijn?
Het kost je je nachtrust, het kost je je kop,
en je lost het alleen met een ander op.’

‘Ik kon niet slapen van je raadsel. Terwijl ik wist dat het maar een raadsel was. En Eekhoorn hielp me het op te lossen.’

‘Oh,’ stamelt Leeuw, ‘wat, ehm, grappig. Ja dat antwoord is óók goed. Het kan inderdaad een raadsel zijn! Gefeliciteerd! Goed gedaan!’ Hij wil Specht een felicitatiezoen geven maar ze is alweer aan het praten met Eekhoorn.

Terwijl die twee zitten te kletsen buigt Snoek zich opzij naar Leeuw en vraagt zachtjes: ‘Welk antwoord had jij dan bedacht? Als het niet een raadsel was?’

‘De liefde’ zegt Leeuw. ‘Maar das eigenlijk hetzelfde, toch?’

Kikker en het kastje

Als Kikker ’s avonds kwaakte in de sloot,
hoorde je hem steeds dezelfde woorden herhalen:

‘Ik kan alles en ik weet alles! Kwaak!’

‘Ik kan alles en ik weet alles! Kwaak!’

Kikker geloofde dat echt.
Kikker was, zoals dat heet, overtuigd van zichzelf.

Dus was hij elke dag druk bezig om ook anderen ervan te overtuigen
dat hij alles wist en alles kon.

Door anderen te vertellen hoe ze iets moesten doen.
Ook al hadden ze er niet om gevraagd.

‘Nee, merel, je moet écht een andere fietspomp gebruiken voor je lekke band,
een andere is écht véél beter, geloof me nou maar!’

En door grote verhalen te vertellen over wat hij allemaal voor bijzondere dingen had gedaan.

‘Ik kon al zwemmen toen ik nog maar kikkerdril was, en als kikkervisje heb ik een snotaal verslagen tijdens een zwemwedstrijd!’

De andere dieren kenden Kikker. En zijn verhalen. Hij was verder best aardig,
en hij bedoelde het goed, dus ze haalden hun schouders erover op.

Toen Beer in het buurt kwam wonen, leerde hij Kikker al snel kennen.

Die liep adviezen te geven aan de verhuizers over hoe ze de dozen het beste konden tillen.

En terwijl Beer de kopjes en schoteltjes in het keukenkastje zette, vertelde Kikker honderduit over hoe hij met blote handen een ooievaar een pak rammel had gegeven die hem had willen opeten.

‘Zeg Kikker, nu je hier toch bent, en omdat je zoveel kunt, wil je me even helpen?’

– ‘Ik ben de allerbeste helper, heel behulpzaam ook, dus zeg het maar beste Beer!’

‘Wil je dat nieuwe kastje voor mij in elkaar zetten?’

– ‘Ja natuurlijk! Kwaak!’

Het was een kastje van IKEA. Voor boeken. Met in de doos een papieren handleiding. En gereedschap erbij.

‘Aha, aha’ zei Kikker terwijl hij de gebruiksaanwijzing las. ‘Ja, en dat daar dan zo indraaien, ik zie het al!’ Hij legde de handleiding weg en ging aan de slag. Ondertussen vertelde hij van alles aan Beer die de doos met keukenspullen uit aan het pakken was, en ze in de keukenkastjes zette. De pannen, het bestek, de glazen.

Maar als Beer met de kruiden bezig is vertelt Kikker niets meer. Hij mompelt in zichzelf. ‘Ja maar deze schroef moet toch daar? Huh daar zit helemaal geen gaatje! Als ik nou… nee dat past ook niet! Hoe kan dat nou? Zo’n simpel kastje.’

‘Beer!’ zegt Kikker ‘Dit kastje is niet goed want ik krijg het niet in elkaar. Ik hou d’r mee op! Je moet het maar terug naar de winkel brengen en een ander kastje halen dat wél goed is.’

‘Wacht even, niet weglopen, ik kijk even met je mee Kikker,’ zegt Beer. ‘Even kijken,’ en hij vouwt de gebruiksaanwijzing open. ‘Volgens mij ben je verkeerd begonnen… deze plank moet onderaan en dan deze schroefjes erin, zie je wel?’ Hij draait ze erin. ‘En dan gaan de zijkanten erop, ik doe dat altijd zo… hoppetee!’

Kikker kijkt, met zijn handen in zijn zakken, hoe Beer stapje voor stapje de kast in elkaar zet. Hij zegt niets, en staat een beetje ongemakkelijk te wiebelen.

‘Nou, volgens mij moet het dus zo,’ zegt Beer. ‘Kun je nu weer verder?’

‘Nou, ik moet zo naar huis,’ zegt Kikker. ‘Ik heb eigenlijk geen tijd meer.’

‘Vind je het soms… moeilijk?’ vraagt Beer, ‘zullen we het samen doen?’

– ‘Nee ik moet echt weg, dag Beer, succes met je kastje!’

Die avond is het stil in de sloot van Kikker. Kikker is er wel. Maar hij heeft even geen zin om te kwaken. Want het wás moeilijk, dat kastje. Veel te moeilijk. Terwijl hij toch alles kan en alles weet? Veel te moeilijk!

Zachtjes zegt hij bij zichzelf: ’Stomme Beer. Stom kastje! Kwaak!’