Het ondeugende schaapje – een Kerstverhaal

Herman was een herder, en had wel honderd schapen.

Dat is wel veel, maar toch kon hij precies horen welk schaap er aan het blaten was.
Hij wist dat dit schaap van gras hield, en dat andere van struiken. Wist precies welk schaap de grootste treuzelaar was, en welke de grootste peuzelaar. Dat kon hij goed onthouden. Het enige wat hij niet kon, dat was namen verzinnen. Dus als hij aan het ene schaap dacht, dan noemde hij het “die witte met dat bruine vlekje.” En de andere was “dat schaap met dat zwarte sokje.” Gelukkig was geen van de 100 schapen hetzelfde.

Hij kende ze stuk voor stuk en zorgde dat ze allemaal bij de kudde bleven. Want er lagen altijd dieven op de loer, en wilde dieren ook!

De schapen zelf wisten natuurlijk wel hoe ze heetten. Zo was er een jong schaap, net geen lammetje meer, met twee zwarte oren en ondeugende ogen: Micha had zijn moeder hem genoemd, en Micha was een echte belhamel. Altijd wilde hij voorop lopen als de kudde weer naar een andere plek met gras trok. Hij sprong (‘bèèèèh’) over schapen heen als ze net rustig aan het grazen waren. Hij kietelde zijn moeder met zijn neus in haar zij. En soms huppelde hij van de kudde weg en speelde verstoppertje net zolang tot de herder hem ging zoeken.

Op een avond, het was pikdonker, had herder Herman de hele kudde veilig bij elkaar gezet in een omheining midden op het veld. Samen met wat andere herders, die hun schapen in de buurt hadden staan, zat hij bij een vuurtje. Het vuur knetterde gezellig, ze aten en dronken wat en zongen herdersliedjes.

Micha kon er niet goed van slapen, want hoe later het werd hoe harder en valser de herders zongen. Hij drentelde een beetje heen en weer tussen de slapende schapen. Hij gaf zijn vriendje een por, maar die werd niet wakker. Micha besloot om maar een avondwandelingetje te gaan maken.

Waar zat ook al weer dat gat in de omheining dat hij had gezien? O ja, daar! Precies groot genoeg voor een net-geen-lam-meer. Micha wrong zich door het gat naar buiten en huppelde het donker in. Wilde dieren en dieven in het donker? Daar dácht hij helemaal niet aan. Micha genoot van de geheimzinnige geuren en geluiden van de nacht. Het geritsel van de wind in de struiken. Het twinkelen van de sterren aan de hemel.

Wat was dat? Een eindje voor hem uit deed een ster heel erg vreemd. De ster leek wel vrolijk te dansen. Micha danste mee. Het was alsof de ster hem riep: kom hier! Ga mee! Groot nieuws. Hij rende op een drafje naar de ster toe, maar ontdekte toen dat hij wel erg ver weg gewandeld was. Waar waren de ander schapen nu? Waar was het vuur van de herders?

Wacht, dat licht in de verte, daar moest de kudde zijn. Micha rende er naartoe. Maar het was niet het vuur van de herders. Het was een hutje, een soort stal. Daarboven stond die ster vrolijk te twinkelen. Het zag er warm en veilig uit. Nieuwsgierig liep hij naar de open deur.

Ondertussen wilde herder Herman gaan slapen. Hij liep bij het vuur vandaan naar de omheining om zijn schaapjes te tellen. ‘1, 2, 3, 95, 96, 97, 98, 99, hè?’ Hij had zich zeker verteld. Hij was ook best moe van al dat zingen. Nog maar een keer. ‘…97, 98, 99…’ Waar was het honderdste schaap? Wie miste er? Het zou toch niet… die met die ondeugende ogen!

Toen zag hij het gat in de omheining. Er was een klein beetje wol aan blijven hangen toen Micha er doorheen kroop. Dat schaapje met die zwarte oren was weg in het donker!

Herder Herman holde naar de andere herders toe. ‘Hebben jullie wat gezien?’ Nee, natuurlijk niet. Ze hadden samen zitten zingen! ‘Eén van mijn schapen is weg, die belhamel weten jullie w-’ Plotseling was het donker niet donker meer. In een groot, wit licht stond een engel bij hen die zei: ‘In Betlehem is de redder van de wereld geboren! Dit is hoe hij eruit ziet: zoek naar een pasgeboren kind in een voerbak.’
En opeens stond er een koor van engelen bij hen dat zong Ere Zij God in de hoge en vrede op aarde voor alle mensen van goede wil.’’ Toen waren ze weer verdwenen. De herders raakten door het dolle heen. ‘Laten we gaan, naar Betlehem, dat is hier vlakbij!’ Ze vertrokken meteen.

Maar Herman niet. Hij kon niet blij zijn nu. Eerst moest hij dat schaapje vinden. Hij liet de 99 schapen achter in de omheining, knoopte het gat goed dicht en begon te zoeken.

Uren dwaalde de herder zoekend rond, maar hij kon zijn schaap niet vinden. Zou hij nog wel leven, dat dappere dier? Of zouden de wolven hem te pakken hebben gekregen? Uiteindelijk kwam Herman aan de rand van het dorp Betlehem, waar een stal stond waarin nog licht brandde.

‘Zouden ze daar mijn schaapje gezien hebben? Ik ga alleen nog daar kijken, en anders geef ik op. Dan ga ik weer terug naar de andere 99.’

Hij liep naar de open deur en zijn ogen moesten even wennen aan het licht Het was een gewone stal, maar het was best druk daarbinnen. Een man en een vrouw stonden bij een voerbak, waarin een kindje lag, in doeken gewikkeld! En daar omheen stonden de andere herders. Ze hadden tranen in hun ogen, blije tranen, en hun wangen krulden: zo breed stonden ze te stralen. ‘Herman… dit is de redder van de wereld. Hij komt vrede brengen voor altijd. Jezus heet ‘ie!, kom kijken is het niet ge-’

‘Bèèèh’ klonk het blij. Een bekende schapenstem. Herman keek om zich heen. Wie stond daar in de hoek? Was het echt waar? Het schaapje met de zwarte oren en de ondeugende blik! Hij had hem gevonden! ‘De herder!’ Micha blaatte van blijdschap. Hij was gevonden, herder Herman had gezocht en nu was hij gevonden! Hij was zo ongerust geweest!

Na uitgebreid te hebben gekroeld en geknuffeld bleven Micha en de herder nog even bij de andere herders rondom dat kindje in de voerbak staan.

De moeder vertelde dat het een bijzonder kind was. Of dat kind vrede kwam brengen, zoals de engel had gezegd? Herman wist niet of dat kon. Zo’n klein, gewoon baby’tje. Maar wat hij wel wist, was dat hij blij was dat het kind vanavond hier geboren was. Anders was hij nog naar zijn schaapje aan het zoeken geweest. Herman nam Micha op zijn schouders en zo gingen ze op weg, terug naar de veilige kudde.

Huppelend van blijdschap.

De drie wijze dochters – een Kerstverhaal

Jullie kennen misschien het verhaal van de geboorte van het kindje Jezus, ergens in een stal in Betlehem. En jullie weten dat hij bezoek kreeg van herders.

En dan is er ook nog het verhaal over wijzen uit het oosten die daar een ster zagen en op zoek gingen naar het kind om het geschenken te brengen: goud, wierook en mirre.

In bijna elke kerststal kom je ze tegen. Met een baard en nette kleren. Eerbiedig geknield bij de kribbe met hun kistjes open. Hun kronen of tulbanden op hun hoofd: want de wijzen waren koningen.

Wat niemand weet, is dat de drie wijzen niet zomaar naar Betlehem reisden. Als dat zo was geweest, waren ze er waarschijnlijk nooit aangekomen. Hoe dat zit zal ik jullie nu vertellen.

1.

Koning Balthasar, Koning Caspar en Koning Melchior woonden dicht bij elkaar in de buurt.
Zo dichtbij dat ze elke zaterdagavond even de grens over gingen op hun kameel om samen een kopje thee te drinken.
De ene week weer in het paleis van Balthasar, dan weer bij Caspar, en de week daarna bij Melchior.

Ze gingen natuurlijk ook bij elkaar op verjaardagsvisite.
En als het zomer was, en dat was het in het Oosten eigenlijk altijd, aten ze op woensdagavond vaak samen in de tuin van een van de paleizen.

De drie koningen hadden alle drie een dochter.
De meisjes gingen aktijd met hun vaders mee als bij elkaar op bezoek gingen.
Ze waren dan ook vriendinnen.
Op woensdagavond voetbalden ze samen in de paleistuin, en als ze op verjaarsvisite waren, pasten ze elkaars kleren of deden tikkertje met de lakeien.

Iedere zaterdagavond, als hun vaders van de thee waren overgegaan op wijn en steeds luidruchtiger proostten en steeds stoerdere verhalen vertelden, lagen de meisjes in de tuin op hun rug in het gras naar de sterren te kijken.

Op een zaterdagavond zag Layla, de dochter van Balthasar, als eerste een heel bijzondere ster.
Maar toen zagen Yara en Bibi hem ook.

‘Kijk nou, die heb ik nog nooit gezien! Wat zou dat kunnen betekenen?’
Yara haalde uit haar kamer meteen het boek ‘Wat de sterren je vertellen’ van Ibn Rasul Isa en las voor:
“een plotseling fel stralende ster betekent dat er in de stad van David een koningskind geboren wordt.”

Een koningskind!
Ze begonnen meteen te fantaseren wat ze het kind kado zouden doen.
‘Als het een jongetje is… een beer… want ik vind jongetjes met beren zo schattig!’
‘En als het een meisje is van die kleine voetbalschoentjes, of een babykroontje!’
Het duurde niet lang of ze waren zo enthousiast dat ze besloten bij het koningskind op bezoek te gaan.

Maar ja, er was dan wel één probleem: ze moesten het aan hun vaders vragen.
En die hadden al meer dan een glaasje rode wijn op.
Dan waren ze altijd heel erg met zichzelf bezig.
‘Weet je wat,’ stelde Layla voor, ‘we vragen ze gewoon niet! We gaan gewoon!’

Dus in de late avond en in de nacht, terwijl ze eigenlijk hadden moeten slapen, verzamelden ze eten en drinken, potten en pannen, kleren en dekens.
Cadeautjes dat kon nu even niet, dat zouden ze onderweg wel fixen.
Toen de morgenster fel aan de hemel scheen slopen ze het paleis uit en reden weg, op een kameel uit de koninklijke stal.

Dat hobbelt lekker, zo’n kameel, daar word je best een beetje slaperig van.
Ze spraken dus af dat Bibi wakker zou blijven terwijl Layla en Yara even konden slapen.
En daarna was de beurt aan Layla, en dan Yara.
Zo reden ze tot de middag, ze aten wat en reden verder, goed ingepakt tegen de hete zon.
Toen het avond werd stopten ze, maakten een vuurtje om te koken, zetten de tent op, kletsten nog wat en sliepen heerlijk.
Steeds sliepen er twee tegelijk terwijl de ander zorgde dat het vuur aanbleef en de hyena’s uit de buurt bleven. Zij bleef natuurlijk ook goed op de ster letten.
De volgende morgen reisden ze uitgerust verder in de richting die de ster ze wees.

2.

De drie koningen werden die ochtend laat wakker, Balthasar in zijn eigen bed en Caspar en Melchior in de logeerkamers.
Na het badderen zaten ze samen aan tafel te kletsen toen Melchior zei: wat slapen de meiden lang uit hè?
Ja, zei Balthasar, dat zal de puberteit wel zijn, heb ik gehoord.
Maar toen ze na een uur nog niet aan tafel kwamen, stuurde hij een lakei, die al snel terug was en met een rood hoofd vertelde dat het bed leeg was.
Er lag wel een briefje op het kussen.

“Lieve vaders, wij zijn op kraambezoek bij het koningskind dat door de ster is aangekondigd.
Daarna komen we weer terug.
Maak je geen zorgen.
Kus van Layla, Bibi en Yara.”

Maak je geen zorgen? Ze maakten zich meteen vreselijke zorgen! Drie meisjes van 11 op zichzelf op weg naar… waar naartoe? Door de woestijn, door de bergen? Wilde dieren. Zonnesteken. Hongerdood! We moeten ze redden!

‘Lakei! Stuur onmiddellijk de jager er op uit om uit te zoeken welke kant ze zijn opgegaan.’
De jager kwam na een tijdje bij de koning en zei: mijn majesteit koning Balthasar, koningen Melchior en Caspar, uwe hoogheden, de sporen van 1 kameel zijn gevonden, die zich beweegt naar het Westen.
De woestijn in.’

‘Wat? De woestijn in het Westen?
We gaan achter ze aan, wij drieën!
Zo snel als we kunnen!’

Het duurde wel een halve dag voordat de kamelen van de koningen gezadeld waren, en ze alles voor de reis bij elkaar hadden.
Eten, drinken, tenten, stoelen, tafels, goud om mee te kunnen betalen, wierook en mirre om hun tent en zichzelf een beetje lekker te laten ruiken, ze waren wel koningen immers.
Toen de hitte van de middag voorbij was vertrokken ze.
Op drie kamelen.

De middagzon was nog best heet en ze kregen zo’n dorst dat ze na een uur al stopten.
Stoppen, spullen van de kameel, tafeltje uitklappen, stoeltjes neerzetten, glazen vullen, even zitten, even drinken,
glazen opruimen, stoeltjes oppakken, tafeltje inklappen, alles op de kameel, opstijgen en weer verder.

Daar gingen ze weer, hobbelend op hun kamelen.
Pijn in hun billen en hoofden vol zorgen: de meisjes waar zijn ze, de meisjes!
Van zorgen maken krijg je ook dorst zeg… dus na 2 uur: Stoppen, spullen van de kameel. Tafeltje uitklappen, stoeltjes neerzetten, glazen vullen, even zitten, even drinken, glazen opruimen, stoeltjes oppakken, tafeltje inklappen, alles op de kameel, opstijgen en weer verder.

Weer een uur later kregen ze honger.
Stoppen, spullen van de kameel, tafeltje uitklappen, stoeltjes neerzetten, vuurtje maken, eten koken, even zitten, even eten, spullen opruimen, vuurtje uitmaken, stoeltjes oppakken, tafel inklappen, alles op de kameel, opstijgen en toen werd het donker.

Dus tent van de kameel, tenten opzetten, bedden oppompen, bedden opmaken, lekker gaan liggen.
Maar toen dachten de koningen tegelijk: ‘wilde dieren! Wat hoor ik snuffelen buiten de tent? Hoor ik daar hyena’s huilen?’
Bang! Bang! Bibberbang.
‘Balthasar ben jij ook wakker? Melchior jij ook?’
‘Ja Caspar. Laten we een vuurtje maken. En dan een van ons de wacht maar houden.’

Caspar houdt als eerste de wacht, naar Melchior en Balthasar zijn zo gespannen dat ze niet kunnen slapen en erbij komen zitten. Ze hebben het over hun dochters maar houden vaak ook bezorgd hun mond, en staren naar de sterren.
Eentje staat wel heel vrolijk te stralen, maar ze zien het niet.

‘Hé, hé, zien jullie dat?’ Melchior en Balthasar zijn toch in slaap gevallen, blijkbaar, want ze schrikken wakker. Het begint al wat lichter te worden, de sterren worden al wat bleker, maar Caspar is opgestaan en wijst naar die ene felle ster. De anderen zien het ook: hij wordt groter, steeds groter, tot het licht om hun heen is en er iemand voor ze staat. “Wees niet bang! Ik ben de engel Gabriël, boodschapper van God. Jullie zijn op zoek naar het koningskind?’

‘Eh… eh… als u onze dochters bedoelt, dat zijn er drie, we zijn op zoek naar 3 koningskinderen!’ zegt Melchior die met zijn ogen knijpt tegen het licht. De andere twee koningen vallen hem bij: ‘Ja drie! Maar wacht zij zoeken zelf naar het koningskind, daar schreven ze over. Dus wij, ook wij!’

‘Het koningskind is in Betlehem.’ gaat Gabriël verder. Volg de ster en u zult alles vinden wat u zoekt.’

Zo snel als je met je ogen knippert is het licht om de koningen heen verdwenen. De engel is weg. De lucht is licht en het vuur is uit. Alleen staat die ene ster nog fel aan de hemel te stralen. Midden op de dag, heel gek. En het is alsof hij beweegt.

Ze breken hun tenten niet af. Ze laten hun bedden niet leeglopen, vouwen hun beddengoed niet op: hun stoelen, hun tafels, alles laten ze daar. Ze trekken alleen hun pyjama’s uit en hun kleren aan. En ze nemen op het laatste nippertje hun goud mee want misschien moeten ze nog wel iets kopen onderweg. In welk kistje zit het? Ach neem ze alle drie maar mee! Zo snel als hun kamelen maar willen rijden ze in de richting die de ster ze wijst.

3.
‘We gaan nog niet naar huis, nog lange niet nog lange niet, we gaan nog niet naar huis, want ons moeder is niet thuis!’
Layla, Yara en Bibi waren vrolijk.
De woestijn maakte plaats voor steeds groener land, met wegen en dorpen en mensen die vriendelijk zwaaiden. Ze sliepen vannacht in een herberg en vandaag straalde de ster al de hele dag feller dan ze dachten, want Betlehem was vlakbij.

Toen ze het stadje inreden zochten ze wat cadeautjes, maar het was een simpele boel daar zeg.
Geen beer, geen voetbalschoentjes, geen kroontjes… alleen maar speelgoed van hout.
Ze kochten uiteindelijk een houten ezeltje, dat was het schattigste dat ze konden vinden. Het werd alweer avond.

Het was trouwens heel druk in de stad.
Dat merkten ze ook toen ze een herberg zochten.
Ze waren reden nog een klein stukje in de richting van de ster gereden en waren moe.
Maar de herberg was vol. En de volgende ook. En die daarna ook.
‘Nou ja, dan slapen we maar bij de kameel’, zei Bibi, ‘mag dat?’
‘Ja hoor!’
‘Dankuwel mevrouw!’
Het was donker toen ze de herberg uitstapten, en het kleine stukje liepen over het straatje naar de stal.

‘Heee! Heee! Meisjes. Yara, Bibi, Layla.’
Roepende mannenstemmen, vol spanning en vermoeidheid, en verdriet.
Het waren hun vaders. Op drie kamelen. Stoffig van hun tenen tot hun kronen.
De koningen sprongen van hun kamelen en sloten hun dochters in de armen: ‘We nemen jullie nu mee naar huis!’
‘Nee!’ riepen de meisjes, ‘Kijk, de ster!’

Stralender dan ooit stond boven stal de ster te twinkelen! Het koningskind moest daar zijn!
De drie koningen wreven in hun handen en keken elkaar aan… ze dachten alledrie aan de engel die ze bezocht. ‘Nou, laten we dan maar naar binnen gaan hè?’ zegt Caspar.

‘Nee pap, dat kan niet zomaar, als ergens net een kind geboren is.’ zei Bibi.
‘Wij gaan eerst wel even voorzichtig vragen.’

Ze liepen voorzichtig door de deur.
Terwijl hun vaders buiten bleven, gingen de meisjes naar binnen.
Ineens voelden de koningen hoe moe hun benen waren. En hoe pijnlijk hun billen. Ze klopten het stof van hun kleren.
‘Een koningskind in een stal? Vreemd!’ zei Melchior.
‘Ja maar, wat dacht je van die engel dan. En hij had wel gelijk!’ zei Balthasar.
‘Hebben we eigenlijk wel een geschenk voor onze collega-koning?’ Zei Caspar.
Ze zochten in de tas van hun kamelen en vonden alleen de drie kistjes, met goud, wierook en mirre.

Na een tijdje kwamen Yara, Bibi en Layla buiten.
‘Het is écht zo’n schatje! En zijn ouders vonden het ezeltje heel leuk hè.’
‘Lag ik vroeger ook in een kribbe toen ik geboren werd, pap?’
‘De moeder zei dat jullie ook wel even naar binnen mogen. Maar niet te lang hoor, want er zijn ook al herders geweest! En wel even je handen wassen.’

Melchior, Balthasar en Caspar glimlachten naar hun dochters, veegden hun handen af aan hun stoffige mantels, en stapten alledrie met een kistje in hun handen naar binnen.

 

Met dank aan Karin Dunning

Vertaling van Dylan Thomas – Light breaks where no sun shines

Licht breekt door waar geen zon schijnt;
Waar geen zee stroomt, stuwen de wateren van het hart
Hun getijden naar binnen;
En, als gebroken spoken met glimwormen in hun hoofden,
Boren de dingen van licht
Zich door het vlees waar geen vlees de botten siert.

Een kaarsvlam in de dijen
Verwarmt jeugdigheid en zaad en verbrandt de sporen van de ouderdom;
Waar geen zaad zich roert,
Ontrimpelt de vrucht van de mens zich in de sterren,
Helder als een vijg;
Waar geen was is, toont de kaars zijn vezels.

De dag breekt aan achter de ogen;
Vanaf de polen van schedel en teen glijdt het druistig bloed
Als een zee;
Noch omsloten, noch ingeperkt, spuiten de bronnen van de hemel / Op naar de pompstang
Ontwarend in een glimlach de olie van tranen.

De nacht rondt in de kassen,
Als een maan van pek, het uiterst van de bollen;
Dag verlicht het bot;
Waar geen kou is, spelden de afstropende stormen
‘s Winters mantel los;
Het lentevlies hangt van de leden.

Licht gaat op over geheime plekjes,
Over gedachtetoppen waar gedachten rieken in de regen;
Als logica sterft,
Groeit het geheim van de bodem door het oog,
En bloed springt op in de zon;
Boven de verlaten hoekjes staat de dageraad.

Dylan Thomas (1914-1953)
Vertaling: Kaj van der Plas

Light breaks where no sun shines

Light breaks where no sun shines;
Where no sea runs, the waters of the heart
Push in their tides;
And, broken ghosts with glow-worms in their heads,
The things of light
File through the flesh where no flesh decks the bones.

A candle in the thighs
Warms youth and seed and burns the seeds of age;
Where no seed stirs,
The fruit of man unwrinkles in the stars,
Bright as a fig;
Where no wax is, the candle shows its hairs.

Dawn breaks behind the eyes;
From poles of skull and toe the windy blood
Slides like a sea;
Nor fenced, nor staked, the gushers of the sky
Spout to the rod
Divining in a smile the oil of tears.

Night in the sockets rounds,
Like some pitch moon, the limit of the globes;
Day lights the bone;
Where no cold is, the skinning gales unpin
The winter’s robes;
The film of spring is hanging from the lids.

Light breaks on secret lots,
On tips of thought where thoughts smell in the rain;
When logics dies,
The secret of the soil grows through the eye,
And blood jumps in the sun;
Above the waste allotments the dawn halts.

Dylan Thomas (1914-1953)

Toelichting bij mijn vertaling

De beeldtaal van het gedicht heb ik geïnterpreteerd vanuit dit perspectief.

Het thema van het gedicht is hoop, en hoop is in het gedicht een manier van kijken naar de wereld die:

  • leven ziet in wat dood lijkt
  • nieuwe levenskracht wakker maakt, vitaliteit
  • het denken te boven gaat, tegen de logica in

Belangrijke beelden in het gedicht zijn het oog, licht en donker, het bloed en (schat ik dit goed in?) ‘masculien-seksuele’ beelden.
Het oog is niet een orgaan dat van buiten naar binnen waarneemt, maar dat van binnen naar buiten waarneemt. Wat achter de ogen is schept de werkelijkheid die ze zien.

De eerste en de laatste regel van het gedicht sluiten op elkaar aan. Juist waar geen licht denkbaar is,
kun je het ontwaren. Omdat je kloppende hart, het vuur in je lendenen, je bloed en je tranen in dat wat dood lijkt leven zaaien.

Het woord ontrimpelt is een eigen samenstelling, een letterlijke vertaling van to unwrinkle. Het woord druistig wordt in Groningen nog wel gebezigd. Het past beter bij de kleur van het gedicht dan ‘onrustig’ of ‘zwenkend’ of hoe je windy dan ook zou willen vertalen.

De derde strofe kostte even wat moeite om te vertalen, omdat de metafoor van de olieboring me in eerste instantie niet duidelijk was. Uiteraard blijft ook bij vertaling van rod met ‘roede’ de (volgens mij) masculien-seksuele metafoor overeind staan (pun intended).

De vierde strofe was de meest lastige, omdat de dichter lijkt te duiden op het oog. De sockets als oogkassen (eyesockets) en de globes als oogbollen. To round the limit is voor zover ik weet geen staande uitdrukking in het Engels. Ik heb het werkwoord de betekenis gegeven van het Nederlandse ‘ronden’ als ‘Wij rondden Kaap de Goede Hoop’. Volgens deel 1 van strofe 3 en deel 1 van strofe 4 maakt de nacht in de ogen plaats voor de dag.

Heb je commentaar op mijn vertaling, laat het me weten!

 

De keizer en de tovenaar – verhaal op rijm

 

De keizer van het verre Hullekaar
Zocht hulp bij zijn tovenaar
Hij had zo’n steken in zijn heupen
Hij kon er nauwelijks van leupen
Na weer een nacht van pijnlijk dromen
liet hij de magiër dus komen.
‘Zo, wijze vrind, zeg jij het maar,
maak je een toverdrankje klaar?
Of schrijf je een speciale toverspreuk?
Want deze pijn is echt niet leukl’
‘Nee keizer,’ mompelde de tovenaar
‘uwe majesteit bekijkt het maar’
En toen de keizer hem niet goed verstond
Stampte hij drie keer op de grond
Dat ging de keizer echt te ver
Al was die tovenaar een superster
Dan nog kon hij hem toch wel helpen?
‘Rammel anders even met je toverschelpen
zwaai wat met je toverstaf!’
‘Nee keizer,’ zei de tovenaar nu luid.
‘Daar zie ik echt van af.’
Dit was de keizer echt te straf
Hij stapte woest uit bed en riep:
‘mijn heupen, haal nu weg mijn pijn,
of deze dag zal je laatste zijn!’
‘Oh keizer,’ zei de tovenaar
‘Verwacht u echt een groots gebaar?
Een hele bult magisch gedoe?
Daar bent u echt nog niet aan toe.
Volg gewoon mijn eenvoudige raad
dan zal het heel snel beter gaan:
doe voortaan als u de straat op gaat
iets warmers dan de kleren
van de keizer aan.
U zult weer soepel kunnen leupen,
en krijgt het stukken minder snel
op uw keizerlijke heupen.’

Hoe Vlinder aan haar lange tong komt

Van alle insecten had Vlinder de grootste mond.
Zag ze iets wat haar niet beviel, dan riep ze dat meteen. En ze stak haar tong uit.

‘Hé, moet je niet eens wat meer bewegen, je wordt vet! Bleeeeh!’ riep ze tegen mestkever

‘Klaplopers, als je zo doorgaat loopt het verkeerd met je af! Bleeeeh!’ riep ze tegen miertjes die even aan het spelen waren

Als andere insecten iets terug wilden zeggen, ‘Wat bedoel je?’ of: ‘kom op doe niet zo flauw’, dan fladderde Vlinder toevallig net iets hoger en deed ze of ze het niet hoorde.

Ze zat ’s avonds met ingeklapte vleugels te rusten op een blad toen Rups haar aansprak.
‘Vlinder, waarom roep je steeds onaardige dingen?’

‘Maar dat doe ik toch helemaal niet?’ zei Vlinder. Ik geef gewoon goed advies.’

Rups kon haar niet overtuigen. ‘Maar de anderen vinden je niet leuk meer! Ze horen door al die nare dingen die je roept niet eens de aardige dingen meer die je zegt!’

‘Dat is dan heel stom van ze,’ zei Vlinder. En stak weer haar tong uit. ‘Bleeeeh’.

Toen werd het winter. En op een kraakheldere morgen vloog Vlinder in de zon, met een sjaal om natuurlijk. Terwijl ze onder een tak door vloog, zag ze een bibberende Bij op een bevroren blad zitten.

‘Doe dan ook wat warms aan sufferd! Bleee-hu-huh-heewp!’
– Ze was tegen een ijspegel aangevlogen. Precies op het moment dat ze haar tong uitstak. En die ijspegel was zo koud dat haar tong eraan was blijven plakken!

‘Heeewp!’ riep Vlinder, terwijl ze aan haar tong aan de ijspegel bungelde. ‘Heeewp!’.

Bij keek bibberend naar boven en zag Vlinder hangen. Maar hij had niet veel zin om heel snel hulp te gaan halen. Die vervelende vlinder die haar tong nooit in bedwang kon houden!

Nou ja, vooruit… Na een tijdje was Rups gehaald, en Kever, en de familie Mier. En na weer een tijdje waren ze in de boom geklommen en hadden ze de tong van Vlinder los weten te maken van de ijspegel. En haar met een dekentje om in bed gelegd. Vet lief, toch?

Maar Vlinder had toen al zo lang aan haar tong aan de ijspegel gehangen, dat die helemaal was uitgerekt! Hij paste alleen nog maar opgerold in haar mond. En met volle mond kun je niet goed praten.

Dus als Vlinder voortaan iets zag wat haar niet beviel, dan duurde het wel even voor ze kon roepen. Want ze moest haar hele tong uitrollen. Ondertussen had ze dan tijd genoeg om erover na te denken… ‘Help ik écht door iets te zeggen?’ Meestal was het beter om haar tong in haar mond te houden.

Weet je wanneer ze hem wel uitrolde? Als ze op een bloem zat. Ze kon ineens veel dieper de lekkere nectar opslurpen.

Je zou dus kunnen zeggen dat het er voor de andere insecten rustiger op geworden was. En voor Vlinder smaakte het leven ineens veel zoeter.