Een engel – Gedicht

EEN ENGEL

Het werd avond.
Zijn wij uitgevochten, vroeg een man.
Wij zijn uitgevochten, zei een engel

en hij tilde de man op, hield hem tegen het licht,
en zei: je bent doorzichtig, nu

Laat me maar los, zei de man
en de engel knikte en liet hem los.

De man woei weg

en zij die achterbleven spraken over iets
dat zij hoger achtten
dan de liefde, iets zwarts,
ze wisten niet hoe ze het moesten noemen,
iets wrangs,

of spraken zij over de dood,
over een varken wroetend onder een dode boom,

of over de zee?

Toon Tellegen
Uit: Kruis en munt, Querido, Amsterdam, 2000

(ik vond het gedicht hier)

De burgemeester en de Lamedvovniks

Oost-Europa, een paar honderd jaar geleden. Een vruchtbare streek, glooiend met aan de horizon toppen van bergen. Akkerland met allerlei gewas: koolzaad, graan. Er slingert zich een stroom doorheen die in de zomer een vrolijk stromende beek is, en in de winter aanzwelt tot een rivier waarvan je het geluid op afstand hoort bulderen. Kleine dorpen verspreid over de omgeving, ieder met zijn eigen put en kerk of synagoge, een boomgaard met appelbomen en bessenstruiken waar kippen scharrelen.

Aan de oever van de rivier, tegen de helling van een van de hogere heuvels op gebouwd staat de grote stad van de streek. Het is markt vandaag. Als we de stroom boerenwagens volgen die tegen de helling opklimt, zien we dat de stad geen muren of poorten heeft. Maar de toegangsweg vertakt zich al gauw in een netwerk van steegjes en straten. De boeren en handelaren zijn met een rijkdom aan producten (kaas, levend vlees en gevogelte, groente, stoffen en manden, vis uit de rivier) onderweg naar het marktplein in het midden van de stad. Daar bouwen zij hun kramen op of stallen ze hun waren uit, welwillend gadegeslagen door de gevels van werkplaatsen en handelshuizen, een kroeg, een grote synagoge en het gebouw van het stadsbestuur met aan de gevel het stadswapen.

Het is een welvarende stad, dat zie je aan alles. Aan de bedrijvigheid op de markt en op straat. Aan de kleding van de inwoners, het aantal paarden en rijtuigen. Aan de mooi geschilderde en goed onderhouden gevels van de huizen en het stadhuis. En, helaas, zoals overal ter wereld welvaart en armoede hand in hand gaan, ook aan de bedelaars die je op een elke straathoek tegenkomt. Maar meer dan de welvaart valt de gemoedelijkheid op waarmee de bewoners elkaar bejegenen. Zelfs de burgemeester, herkenbaar aan zijn nette hoed, groet iedereen en wordt met een vriendelijke knik, een tik aan de pet of een gesproken gedag begroet. En als de burgemeestersvrouw de bedelaar passeert, die toestemming heeft zijn hand op te houden bij het gemeentehuis, gaat ze niet zo maar aan hem voorbij. ‘Hoe is het, heeft u het warm genoeg, ik zal u straks iets te eten laten brengen. En ze geeft hem altijd een aalmoes.’

Dat is niet altijd zo geweest, die welvaart en die gemoedelijkheid. Vijf jaar geleden nog verzuchtte de burgemeester tegen zijn secretaris, dat hij zich zorgen maakte om de toekomst van de stad. Het aanbod op de markt was karig: de boeren in de omgeving worstelden om hun oogsten en waren verkocht te krijgen. Bewoners trokken weg om elders in de streek voorbij de bergen, hun heil te zoeken. Er was leegstand, het stadswapen hing verkleurd door de zon aan de gevel en een van de gesprongen vensters van de synagoge wachtte al tijden op reparatie. De sfeer in de stad, daar voelde hij zich niet verantwoordelijk voor als burgemeester, maar ook hij merkte vanuit zijn rijtuig een zekere gejaagdheid bij de inwoners. Ze liepen elkaar voorbij zonder elkaar te zien. Waren altijd druk onderweg van huis naar bezigheid of van bezigheid naar huis. Meer leek er niet te bestaan.

‘Saul’, zo heette zijn secretaris, ‘Wat moeten we? Als het zo doorgaat raken we onze stadsrechten kwijt. We kunnen de opgelegde belastingen nauwelijks nog opbrengen. De helft van de stad is aan het verkrotten er zijn meer bedelaars dan handelaars. Het armenhuis zit voller dan ooit. Wat moeten we? Ik heb altijd kansen gezien, daar ben ik goed in, dat weet je. Maar nu…’

Saul streek met zijn vingers zijn snor glad en liet ze door zijn puntbaardje glijden. Fronste even alsof hij met zichzelf overlegde, en zei toen: ‘Ik weet dat u niet zoveel met onze godsdienst op hebt dat is natuurlijk ook niet erg en daar hebben we het wel eens over gehad. Maar ik heb gisteren in de sjoel gehoord dat in een van de dorpen van onze streek een rabbijn is aangekomen die bekend staat om zijn wijsheid. Als u werkelijk alle raadgevers hebt gehad, zou u wellicht hem nog eens kunnen raadplegen.’ De burgemeester knikte, dacht er even over na en zei toen: ‘Saul, neem mijn rijtuig en ga die man halen. Baat het niet, dan schaadt het niet. Hoe ver is het rijden? Ik verwacht je vanavond terug.’

Maar die avond keerde Saul niet terug. En ook de volgende dag niet. De burgemeester vloekte inwendig over zoveel onbetrouwbaarheid van de mensen in deze stad: ook zijn eigen secretaris. Pas in de avond van de derde dag (was Saul er met het rijtuig vandoor?), hij zat aan de eettafel van zijn ambtswoning, zag de burgemeester zijn rijtuig stapvoets het marktplein oprijden. Met, voor de paarden uit, te voet zijn secretaris Saul en een kleine wat kromme gestalte die desalniettemin met energieke stap voortging. Zijn secretaris leek te spreken met wijde gebaren, de man luisterde en knikte. Ze keken op uit hun gesprek toen ze vlakbij de ambtswoning waren. De koetsier leidde het rijtuig naar achter en de twee mannen beklommen de trap naar de voordeur. Met een breed gebaar en een kleine buiging heette de burgemeester de rabbijn welkom. Hij riep zijn vrouw om hem een kop hete kwast te geven en gebaarde zijn secretaris even naar de gang. ‘Saul, wat is dit. Waar bleef je zo lang?’ ‘Burgemeester, ik kon niet anders. Hij weigerde mee te gaan in het rijtuig. Te voet was snel genoeg, zei hij. Dan spreek je nog eens iemand. Het is een wijs man, burgemeester, die de tijd neemt om te luisteren en lang wacht zelf te spreken. Maar als u het goed vindt, ga ik graag naar mijn huis nu. Mijn schoeisel was niet geschikt voor zo’n lange wandeling en ik moet mijn voeten laten verbinden.’ ‘Ik wil dat je nog even blijft’ zei de burgemeester en hij trok zijn secretaris mee de zitkamer in, waar de rabbijn van zijn warme drank nipte.

‘Heer,’ zei hij tegen de rabbijn, ‘U heeft ongetwijfeld van mijn secretaris gehoord wat onze problemen zijn. Ik zou u daar graag morgen over spreken. Maar ik neem aan dat u vermoeid bent van de reis. Ik zal mijn vrouw vragen de gastenkamer in gereedheid te brengen en sta erop dat u mijn gast bent zo lang u hier blijft.’

Maar de rabbijn, een kleine man met een woeste snor en baard, en donkere ogen die scherp en bedachtzaam keken, sprak: ‘Ik dank u, burgemeester, voor uw uitnodiging. En ja, ik heb inderdaad vernomen van de problemen waarin uw stad verzeild is geraakt. Maar ik zal vooralsnog niet van de gastvrijheid van uw huis gebruik maken. Sta mij toe mijn onderkomen zelf te zoeken zo lang ik hier verblijf. En nee, morgen is te vroeg: ik wil eerst eens met wat mensen spreken en zal u daarna verslag uit brengen van mijn bevindingen en waar mogelijk mijn raad geven.’ Verbouwereerd stond de burgemeester het hem toe: ‘Saul, vergezel de rabbijn naar de herberg. Zie erop toe dat hij een goede kamer krijgt. En begeleidt hem zo lang hij in de stad is.’ Met een korte buiging van de rabbijn, en een mond die vertrok van de kramp in zijn voeten begeleidde Saul de rabbijn de voordeur uit.

De volgende morgen verscheen de secretaris handenwringend en op zachte pantoffels op het stadhuis. Met een alarmerend bericht. De rabbijn had voor de deur van de herberg afscheid van hem willen nemen, maar bleek vanmorgen niet in de herberg te hebben overnacht. Na lang navragen en zoeken bleek hij onderdak te hebben gevonden in het armste gedeelte van de stad. In een van de krotwoninkjes daar. En hij had geweigerd mee te gaan naar een andere plaats. ‘Maar dat is veel te gevaarlijk! Er worden daar mensen beroofd. Niets dan bedelaars! Haal onmiddellijk de drost en zorg ervoor dat de rabbijn van een escorte wordt voorzien.’ ‘Dat heb ik al gesuggereerd maar hij weigerde. Hij zei ‘Als er iets is wat mijn onderzoek kan belemmeren, dan is het wel een legertje beveiligers om mij heen. Als mensen het idee krijgen dat ik me onveilig voel bij hen, zullen ze zich ernaar gaan gedragen!’’ ‘Zoek hem dan maar weer op, en blijf bij hem zoals beloofd.’ ‘Ja burgemeester.’ En de arme secretaris slofte weg.

Die week kreeg de burgemeester berichten dat de rabbijn achtereenvolgens verbleef bij een bedelaar, een kleermaker, een timmerman, bij de rijkste wijnkoper, bij een van de boeren vlak buiten de stad en ten slotte bij secretaris Saul thuis. Hoofdschuddend zei hij tegen zijn vrouw dat religie en dwaasheid niet in elkaars verlengde lagen, zoals hij altijd had gedacht, maar elkaar bij deze man volledig overlapten. ‘En die man wil mij advies geven – hij heeft de cijfers nog niet eens gezien, weet niets van onze gemeentelijke organisatiestructuur en… nou ja.’ Wat hij natuurlijk verzweeg, was dat het hem enorm stak dat de rabbijn nog niet met hem in gesprek was geweest.

Maar na een week was het dan toch zover. Saul, inmiddels weer op zijn, gelapte, schoenen, bracht de rabbijn de werkkamer op het stadhuis binnen. De burgemeester, zittend achter zijn bureau, veinsde een vriendelijk welkom en vroeg: ‘Zo rabbijn, uw “onderzoek” zit erop? Ik laat ons een glas warme wijn brengen, zullen we daarop wachten of wilt u nu meteen de cijfers inzien?’

‘Ja, mijn onderzoek zit erop. Nee, uw cijfers hoef ik niet in te zien. Ik ben tot de conclusie gekomen dat ik niet de juiste man ben om u van raad te voorzien. Als eenvoudige rabbijn heb ik eerder verstand van geestelijke zaken dan van het bestuur van een stad. Daar ligt ongetwijfeld uw grote kracht en wijsheid, daarin ben ik uw mindere. Ik zal vanavond nog leren in de synagoge, en dan weer vertrekken. Ik dank u voor uw gastvrijheid. Als u me nu wilt verontschuldigen.’

Hij stond op en liep naar de deur, waardoor net de bediende met gevulde glazen binnenkwam. Met strakke bleke wangen en vragende blik was de burgemeester achter zijn bureau opgestaan. ‘Maar, maar,…’ Een blik op Saul, die met een uitdrukking van verwarring zijn schouders ophaalde, en toen een opborrelende woede die op het punt stond alle opgebouwde frustratie van de afgelopen week als hete lava over die kleine dwaas bij de deur uit te storten. Toen keek de rabbijn hem recht aan en zei: ‘O, burgemeester, een ding wil ik nog wel met u delen.’

En met zijn hand op de deurknop vervolgde hij: ‘Er is in onze traditie een oud verhaal, heeft u dat ooit gehoord, het verhaal van de lamedvovniks?’ Zonder te wachten op reactie van de burgemeester vervolgde hij:

‘Er wordt verteld dat het lot van onze hele wereld afhangt van slechts 36 mensen in de wereld, 36 rechtvaardigen. Zij worden de lamedvovniks genoemd, naar het woord voor 36 in onze oude taal. Het is hun rechtvaardigheid en goedheid die maakt dat de Eeuwige tot op de dag van vandaag de wereld niet heeft verwoest ondanks alle ongelijkheid. Zij zorgen voor de mensen in hun omgeving zonder zich erop te laten voorstaan en zijn zo een lichtend voorbeeld maar alleen voor wie het maar wil zien. In het verborgene zijn zij het aan wie alle mensen elke nieuwe dag te danken hebben. Zij weten van zichzelf niet dat zij een van de 36 zijn. Zouden ze dat weten, dan zouden ze het niet zijn. Ik heb de afgelopen week in uw stad rondgelopen. En ik heb sterke aanwijzingen dat er zich onder de bevolking van uw stad een van de 36, een lamedvovnik bevindt. Het ga u goed.’

‘Maar wie, wat, hoezo?’ De rabbijn luisterde niet meer naar de vragen van de burgemeester en trok de deur achter zich dicht. Sprakeloos zagen de burgemeester en zijn secretaris hem over het marktplein vertrekken, gebogen maar met vaste tred, de straat in die hem uit de stad zou voeren. En toen ze elkaar zwijgend aankeken en de secretaris in een gebaar van wanhoop zijn handen uitstrekte kwam de ontploffing. Een week verloren tijd. Een week rekening houden met een vreemde snoeshaan. En dat allemaal dankzij Saul. ‘Eruit! Eruit!’ Daar verdween de secretaris.

De burgemeester zonk in zijn stoel. Dronk zijn warme wijn, en verviel in gepeins. Die rabbijn. En zijn verhaal. Maar het liet hem niet los. Die avond vertelde hij het zijn vrouw tijdens het eten. ‘Stel nu dat het zo is. In onze stad. Iemand die zo goed is dat hij ons bestaan mogelijk maakt? Een van de zesendertig… Maar dan had ik het toch geweten, als burgemeester?’
‘Ja maar, hoe kun je het weten als het in het verborgene gebeurt? Als diegene niet eens van zichzelf weet dat hij… of zij een van de zesendertig is?’ Dat was zo. Die nacht in bed passeerden allerlei gezichten het geestesoog van de burgemeester. Dat van de wijnkoper. Dat van de kleermaker. Of zijn vrouw, zacht snurkend naast hem in bed… zou zij? Zijn secretaris?

Toen die laatste de volgende morgen schoorvoetend op het stadhuis verscheen, ontmoette hem de burgemeester met wallen onder de ogen. Maar ook met een onderzoekende blik. En pas toen hij het vroeg, realiseerde Saul dat de burgemeester daar nooit eerder naar gevraagd had. ‘Hoe is het eigenlijk met je gezin?’
Ze raakten aan de praat en het duurde voor de verandering erg lang voordat ze overgingen tot de orde van de dag, de bestuurszaken die geregeld moesten worden. De burgemeester vroeg naar zijn reis met de rabbijn. En uiteindelijk kwam het hoge woord eruit. ‘Zou het echt zo zijn, dat er in ons midden een van de lamedvovs woont? Ken jij zo iemand?’ ‘Als iemand het weet, dan is het uw kleermaker wel. Die naait pakken voor hen die het kunnen betalen. Maar ik weet dat hij in de avond van overgebleven lapjes ook de kleren van de allerarmsten verstelt.’ ‘Vraag het hem dan! Vertel hem van de rabbijn en vraag het hem!’ De kleermaker wist het niet. Maar hij zou informeren bij zijn klanten.

En zo kwam het, dat het verhaal van de zesendertig rechtvaardigen en die ene die misschien wel onder hun eigen mensen zou wonen, zich verspreidde over de stad. Mensen begonnen met andere ogen naar elkaar te kijken. En dachten ‘Wat voor goeds doet die ander in het verborgene?’ ‘Ik zag hem laatst vriendelijk kijken naar de voddenboer, zou hij?’ ‘En zij, zij maakte een praatje met die arme bloemenverkoopster.’ – ‘Nu ik aan die bloemenverkoopster denk: zou zij in al haar eenvoud niet die ene kunnen zijn?’

In plaats van zonder meer aan elkaar voorbij te trekken druk onderweg, zagen de inwoners van de stad elkaar opeens. Nieuwsgierig. Welwillend. Maar het verhaal van de rabbijn had nog een consequentie. Want als de lamedvov het van zichzelf niet weet… ‘Zou ik dan misschien die ene rechtvaardige zijn die het grote verschil maakt? Wat doe ik eigenlijk voor goeds, in het verborgene?’

Vijf jaar geleden verzuchtte de burgemeester nog tegen zijn secretaris dat hij zich zorgen maakte over de stad. De rabbijn kwam, maar vertrok zonder raad te geven. Hij had enkel een verhaal. En toch is de stad in die vijf volgende jaren onherkenbaar veranderd. Tot bloei gekomen. Waardoor dat komt, is niet zonder meer te zeggen natuurlijk, of…

Wij leven nu. Honderden jaren later. Maar ik vraag me sinds ik het verhaal gehoord heb af, als ik op zo’n plek als hier om mij heen kijk. Zou het zo kunnen zijn dat een van ons…

(Bewerking van ‘De legende van de Lamedvovniks’ voor een training van het Ronald McDonald Kinderfonds)
lees ook the hidden 36 righteous ones)

Meer verhalen lezen? Koop dan een van mijn verhalenbundels!

Dood en rouw: wie ben ik?

Ik was 27 en stond aan het bed van een vrouw van 95. Ze was stervende. Haar ogen keken niet meer, en ze waren half gesloten. Haar mond sprak niet meer, er was alleen maar ademen. En dat was ook al het geluid in de kamer: een nadrukkelijk, ritmisch en snel ademend lichaam. De kleindochter van de mevrouw depte de droge lippen liefdevol met een vochtig doekje. Ze hield af en toe een zakdoekje met wat Boldoot erop bij haar neus: dat vond oma altijd lekker ruiken. Tussen ons zwijgen door spraken we wat. En voor ik vertrok mocht ik mijn handen op het hoofd van de stervende mevrouw leggen, en oude woorden spreken die niet van mijzelf waren. Woorden over een oude trouwe God. Even veranderde de ademhaling. En hervatte toen zijn dieselende ritme weer. Ik vertrok, en hoorde dat mevrouw die avond was overleden. Voor de kleindochter kon de rouw beginnen.

De intimiteit van het sterven
Sterven hoort bij het leven, dat wist ik toen ik op mijn 27e aan het predikantschap begon. Ik had kort daarvoor ook al van dichtbij een stervensproces mogen of moeten meemaken, wakend aan het bed van mijn schoonmoeder. Mogen of moeten: er zitten duidelijk twee kanten aan het afscheid nemen van een dierbare, pijn en ook een diepe ervaring van verbondenheid met het gezin. Maar wat mij vanaf het begin verrast en verwonderd heeft, is de sfeer van intimiteit die de dood steeds weer met zich meebrengt. En dat ik vanwege de rol van dominee tot die sfeer word toegelaten door de stervende zelf, of de familieleden, of na het overlijden door de nabestaanden.

Er is een bijzonder troostende tekst over de dood. Lees hem hier.

Rode draad: wie jij bent
Die intimiteit is een rode draad door mijn ervaringen met de dood. Je kunt het in plaats van intimiteit ook kwetsbaarheid noemen. Als de dood op het toneel verschijnt dan doet dat iets met alle betrokkenen. De angst die de dood kan oproepen, maar ook alleen het pure feit dat de dood niet met je verstand te bevatten is, maken dat je wel moet reageren met alles wat je in huis hebt. Of je nu worstelt met de dood of je er gelaten aan overgeeft: je doet dat meer dan ooit vanuit degene die jij bent – die wordt zichtbaar, die komt aan het licht. In de vraag ‘Wie ben ik’.

“Onze natuurlijke stand staat altijd op ‘leven’: toekomst is vanzelfsprekend.”

De dood als vraag naar je waardigheid
Sterven is een vreemd proces. Het duurt bij veel mensen een tijdje. Een ongeneeslijke ziekte heeft zich aangediend, of het lichaam is op een andere manier in een onomkeerbaar proces van afnemende krachten terechtgekomen. En het vreemde is: je weet wel dat het gaat gebeuren, maar als het jou zelf betreft is dat heel anders dan als het om een ander gaat. Ik heb het idee dat onze natuurlijke stand altijd op ‘leven’ staat. De toekomst speelt op de achtergrond altijd een rol, toekomst is vanzelfsprekend, leven is vanzelfsprekend, dood niet. Dood betekent dat het leven, dit leven ophoudt, dood is niet meer, nooit meer. Het vechten tegen een ziekte en tegen de dood is een gevecht om toekomst, om nog ietsje meer toekomst soms. Want zo kennen we onszelf, dat we dezelfde blijven, dat we blijven, daar willen we voor vechten.

Vechten om te blijven wie je bent. Want het is moeilijk om te veranderen. Om je krachten te voelen afnemen. Geen grip te hebben en te ontdekken dat je nooit grip hebt gehad, dat je met de illusie van oneindigheid hebt geleefd zoals alle mensen in hun onschuld doen. Wie ben ik in dit alles? Wie ben ik als ik dingen niet meer kan? Wie ben ik als ik niet meer voor anderen kan zorgen, laat staan voor mezelf? Waar is mijn waardigheid, waar moet ik die nog op baseren?

Manieren van omgaan, vanuit karakter en vorming
Het ik komt boven in de manier waarop mensen omgaan met alle onherroepelijke veranderingen die soms voorafgaan aan die ene aller onherroepelijkste verandering. Het eigen karakter. De manier waarop iemand gevormd is, hoe hij geleerd heeft met grote vragen en emoties om te gaan. Vermijden en ontkennen. Vechten, naar binnen gekeerd of heel uitgesproken. Wanhoop en verlamming door spanning en angst. Gelatenheid, soms een zich terugtrekken. Optimisme en hoop soms, verwachting van een hiernamaals dat het afscheid verzacht of je hier en nu steun geeft. Alles dat een rol speelt bij elke grote crisis in je leven, scheiding, ernstige ziekte, bij ieder rouwproces, komt ook hier naar voren.

Sterven die enige, eerste, laatste keer
Sterven doe je maar een keer. Het is altijd de eerste keer en de laatste. Het is een definitieve verandering. Je verandert er zelf door. Want je moet afscheid nemen van de dingen die je kon doen, die je maakten tot wie je was. Wie ben je dan nog? Je moet afscheid nemen van de toekomst waarmee je leefde. Wie ben je nog nu, wie wil je zijn? Ieder gaat daar op haar unieke manier mee om, gevoed door karakter, door levensovertuiging. Soms gehinderd door de fysieke veranderingen, de pijn die het stervensproces met zich meebrengt. Je doet het een keer, een eerste keer en weet van tevoren niet hoe het moet. Je kunt het daarom alleen maar op je eigen manier doen.

“Sterven kun je alleen maar op je eigen manier doen”

De dood als onverwachte vriend
De dood kan voor sommigen een onverwachte vriend zijn. Omdat het sterven een proces van ontwikkeling blijkt te zijn. Het ontdekken van de essentie die jou maakt tot wie je bent, los van alles wat je doet of wat je presteert, de dragende essentie van jouw wezen. Dit ben ik, die het leven loslaat. Dat gun ik iedereen, die waardigheid, die de angst niet heeft overwonnen maar ook niet door de angst overwonnen is.

De dood in relatie
Maar de dood brengt niet alleen een persoonlijke weg met zich mee voor hem of haar die de dood aan den lijve ervaart. Als de dood zich aankondigt in een diagnose of een bepaalde overlevingskans, doet dat ook iets met de relaties. Ook die komen in een ander licht te staan. Ik kan immers niet meer voor die anderen zijn wie ik was. Wie ben ik nog als ik niet meer de vader kan zijn of de moeder, de zoon of dochter, de zorgzame echtgenote, de liefhebbende minnaar. Wie ik ben wordt deels bepaald door wie ik voor anderen ben.

Wat je voor elkaar kunt betekenen als een van jullie stervende is… daarover gaat dit gedicht.

Wie ben ik nog als ik voor anderen een ander word? 

De schok om de aangekondigde dood, de crisis, treft niet alleen de stervende maar ook haar omgeving. Even hard! Ook in de naaste omgeving roept dat reacties op van vermijden, vechten, gelatenheid, wanhoop of juist optimisme. Ook de mens in de naaste omgeving verandert, onderneemt gedwongen een zoektocht: wat doet het met mij, wat zegt dat over mij, wie ben ik? 

Ik maak regelmatig mee dat echtparen een bepaalde modus van samenleven hadden gevonden, hun soms zeer verschillende karakters op elkaar afgestemd, voorspelbaar geworden. Maar toen de dood op het toneel verscheen, riep dat bij beiden een reactie op die maakte dat ze bij elkaar weg bewogen, elkaar niet meer herkenden of zichzelf niet meer in de ander konden terugvinden. Het feit dat ze elkaar gaan kwijtraken, roept een crisis wakker die ervoor zorgt dat ze elkaar al kwijtraken nog voor het zover is. ‘Hij weet dat hij doodgaat maar wil er niet over praten’ vertelt zij mij in de gang als ze me naar de deur brengt. ‘Zij weet dat mijn krachten afnemen, maar wil dat niet zien- ze doet alsof er niets aan de hand is’ vertelt hij als zij even weg is voor een boodschap.

Eenzaamheid
De dood leidt soms tot een eenzame strijd, pogingen om de crisis het hoofd te bieden die helemaal alleen worden gedaan. Naast elkaar, maar niet samen. Mensen sparen elkaar omdat ze denken dat de ander hun zorgen er niet ook nog eens bij kan hebben. Mensen sparen zichzelf omdat ze het verdriet van de ander niet kunnen wegnemen en dat onverdraaglijk vinden. Mensen trekken zich langzaam van elkaar los, terug in zichzelf of in hun eigen wereldje, want als je een pleister langzaam lostrekt, doet dat minder pijn dan als hij ineens wordt afgerukt. Terwijl ze elkaar vaak zo goed kennen. En zo lang. Bij elkaar de steun zouden kunnen vinden die geen ander ze bieden kan. Iemand die weet dat zij doodgaat kan een ander vaak nog verrekte goed troosten – uit je op jouw manier. De geliefde die jou gaat verliezen wil jou juist dichtbij zijn in de heftigheid van jouw gevoel- uit je, op jouw manier. Reik elkaar de hand en doe het samen.

“Mensen raken elkaar soms al kwijt, voordat ze elkaar kwijtraken”

Sterfbed zonder wonderen
Helaas is het een illusie dat verstoorde communicatie op het sterfbed ineens wel goed lukt. Mensen die elkaar in het leven ervoor niet goed kunnen verstaan, kunnen als de dood zich aandient niet ineens met elkaar lezen en schrijven. Dat gebeurt alleen in films, en niet in de beste films. Al moet je de hoop niet opgeven en moeite blijven doen. Ook ruziemaken is een vorm van nabijheid. Maar… als dat niet kan, of als je het niet gewend bent: waarom zou je al je behoefte aan troost en steun bij elkaar moeten neerleggen? Het is zo belangrijk je eigen netwerkje te hebben om de grote dingen mee te delen, inclusief het verdriet. Het is verraderlijk makkelijk om, bij een lang stervensproces, alle aandacht op elkaar te richten en je vrienden te verwaarlozen, terwijl je juist aan hen zoveel kunt hebben. En voor de potentiële achterblijver is het een wijze investering om mensen mee te nemen in haar proces van afscheid nemen: alleen dan kunnen die mensen in de periode na het sterven werkelijk dichtbij zijn, als ze meegemaakt hebben hoe jij geleidelijk bent veranderd.

Korte tussenstand
Ik heb iets proberen te zeggen over het stervensproces. Over de existentiële vraag die dat oproept bij de stervende en haar of zijn omgeving. Wie ben ik in dit alles. Is er een kern die hetzelfde blijft in alle verandering, daar waar mijn waardigheid mij draagt. Kunnen we elkaar vasthouden in de crisis, samen veranderen zodat we niet onherkenbaar voor elkaar worden en als vreemden uit elkaar gaan, hoofdschuddend en vol spijt? Nu wil ik tenslotte nog iets proberen te zeggen over de tijd na het overlijden. En dan bedoel ik niet, zoals je misschien van een dominee zou verwachten, over een hiernamaals of een hemel of zoiets. Ik bedoel natuurlijk het leven van de mensen die achterblijven. Die rouwen.

Rouw als vraag naar wie je bent
De dood slaat in als een bom. Als je hem niet verwacht geldt dat. Maar ook als je hem aan zag komen. Wat de dood van een dierbare met je doet kun je je van tevoren niet voorstellen. Het is een volkomen vreemde, absurde situatie. Want: jouw leven verandert. Wie jij bent verandert. De wereld is niet meer hetzelfde en alles voelt anders aan. Het is alsof je in het diepe gegooid wordt en voor het eerst handen en voeten moet leren gebruiken – hoe werken die dingen? Pas als je de ander mist, komt aan de oppervlakte hoe wij mensen in elkaars leven verweven zijn. In ontelbaar veel kleine dingetjes. Die hoe klein ze ook zijn een felle steek kunnen geven.

“Wat je in de rouw overkomt is niet makkelijk, niet fijn, maar wel gewoon”

Alles is gewoon aan wie rouwt
Opnieuw bepaalt jouw karakter, en jouw vorming uiteindelijk hoe je met deze crisis omgaat.

 Wie ben ik zonder die ander? Je plek in de wereld verandert door de dood. Sommige mensen gaan zich er onveilig door voelen, niet alleen in de wereld maar ook in zichzelf. ‘Ik herken mezelf niet meer, ik kan soms zomaar ineens heel kwaad worden, om niets zo lijkt het.’ ‘Ik huil helemaal niet, is dat normaal? ‘ Of: ‘ik huil om de meest onbenullige dingetjes, zelfs om mooie dingen.’ Veel mensen hebben op een gegeven moment het idee dat ze hun verstand verliezen, dat ze gek aan het worden zijn. Sommige huisartsen stellen al te snel de diagnose depressie en schrijven medicijnen voor. Maar eigenlijk is het meeste wat je overkomt, hoe vreemd het ook voor jou is, heel normaal. Niet makkelijk. Niet fijn. Maar wel gewoon.

Een plekje geven aan – je nieuwe zelf
De stress waaraan je bloot staat, wanneer je een verlies te dragen hebt, is enorm. Het is keihard werken, meestal onbewust. Mensen weten niet waar ze zo moe van zijn. Of snappen niet waar die hoofdpijn vandaan komt, de darmklachten, de slapeloosheid, de sombere gedachten, de huilbuien. Opnieuw: dit is allemaal normaal.

 Er wordt wel gezegd dat je het verlies een plekje moet zien te geven. Maar eigenlijk is dat veel te makkelijk gezegd. Alsof je zou weten hoe groot het verlies precies is – het is, au, telkens een beetje groter dan je dacht. Alsof je het zou kunnen opbergen – ja waar dan en hoe?

Het is veel beter om te zeggen dat jij een plekje moet zien te vinden. Jij die definitief veranderd bent en je nieuwe zelf moet leren kennen, moet een plek vinden in een wereld die definitief veranderd is. En degene die jou altijd hielp je plek te bepalen is er niet meer. De oorzaak van je rouwproces maakt het tegelijkertijd enorm moeilijk ermee om te gaan. Ook hier spelen karakter en vorming een grote rol. En daarbij de manier waarop de ander gestorven is. En ook de leeftijd van die ander. Ten slotte bepaalt je eigen leeftijd, en je eigen lichamelijke en geestelijke conditie hoe je de worsteling kunt aangaan.

Verlies maakt je een ander mens
Hoe mensen met rouw omgaan is even persoonlijk als hoe zij hun leven leven. Niemand doet het precies hetzelfde. De aspecten van rouw zoals ze in de boekjes staan – onderhandelen, ontkennen, boosheid, verdriet: ze komen allemaal op een eigen manier voor en niet in een vaste volgorde maar dwars door elkaar. Rouw verandert een mens.

 Rouw verandert iemand soms zozeer dat die, als de omgeving niet oplet, onherkenbaar wordt. Het harde werken om jezelf een nieuwe plek te vinden in een koud geworden wereld vraagt zoveel energie dat het normale sociale verkeer eronder leidt. Je komt het huis minder uit of bent juist altijd onderweg met je ziel onder je arm. Je hebt een korter lontje.

Je trekt je terug in jezelf. Een ander heeft een onbedwingbare behoefte om te praten, te praten, te praten. Dit alles is mogelijk, alles is even normaal.  Maar ga er maar aanstaan, als omgeving. De wederkerigheid van geven en nemen die je in de loop der jaren hebt opgebouwd wordt doorbroken. Je moet ineens je verwachtingen bijstellen en dat kost moeite. En dan doet het de omgeving ook nog eens pijn om hun lieve familielid, vriend of vriendin zo verdrietig te zien. Naast dat ze hun eigen verdriet ook een plek willen geven.

“Rouw kan je veranderen in iemand die voor de omgeving onherkenbaar wordt”

Vrienden haken af, anderen haken aan
Iemand die een dierbare verliest verandert. Rouw verandert een mens. Dat betekent dat relaties ook veranderen. Sommige vrienden of bekenden kunnen de verandering niet meemaken. De vanzelfsprekendheid is weg en komt niet meer terug, ze haken af. Of mensen denken dat de verandering maar tijdelijk is, en worden na een jaar ongeduldig en vermijden het gesprek over de dode – kom op, ben je er nou nog niet overheen! Rouw is het vinden van een nieuwe plek in de wereld, het als nieuw leren kennen van jezelf, daarbij gehinderd door alles wat het verlies aan pijn en emoties in je wakker roept.

Mensen die op een gegeven moment kunnen terugkijken, zien hoe de overledene nog maar de eerste waren die ze in die tijd kwijtraakten. En hoe anderen in de loop van de tijd zijn afgehaakt. 

Maar het is geen onwil van de afhakers. Het is vaker onkunde – niet weten hoe rouw werkt, of onmacht – zo twijfelen aan wat je mot zeggen of doen, dat je maar niets zegt of doet en het met bloedend hart laat doodbloeden. En daarnaast is het gewoon zo dat je als rouwende verandert. Je krijgt er nieuwe vrienden bij daardoor, en andere vallen weg.

Er zijn voor iemand in de rouw
Je kunt er alleen goed zijn voor iemand in de rouw, als je bereid bent erbij te blijven. Bij hem of bij haar. Zonder teveel verwachtingen de ontwikkeling volgen. Mee te veranderen, de pijn van het meelijden te verdragen en geduldig wachten tot het moment komt dat die ander zegt: ik ben er weer.

“Er zijn mensen die hun rouwproces voor geen goud hadden willen missen”

Zinvolle vragen
Sterven hoort bij het leven. De dood roept zelfs heel zinvolle vragen op. De vraag naar wie jij eigenlijk bent. Die vraag moet je voor jezelf beantwoorden, maar niet zonder de mensen tot wie je in relatie staat.

En als alles verandert door de dood van een geliefde, dan wil dat niet zeggen dat je het antwoord op de vraag naar wie jij bent voorgoed bent kwijtgeraakt. Je zult misschien een nieuw antwoord vinden.

De waarde van dood en rouw
Om hoopvol, optimistisch en misschien wat uitdagend te eindigen: er zijn mensen die aanvaarden dat de dood bij het leven hoort. Die de pijn van het verlies van binnenuit hebben doorgemaakt. Die definitief zijn veranderd, in een wereld die voorgoed anders werd. Maar dat proces voor geen goud hadden willen missen. Want dan hadden ze de liefde niet gekend. En ze hadden de ontwikkeling niet meegemaakt van het veranderende zelf, waarin ze ontdekten dat er in alle veranderingen een continue fundament aanwezig is dat hen de moeite waard maakt.

Het moment komt voor ons allemaal, is voor velen al eens geweest. Ga er dus maar aanstaan.

Lees ook het bezinningsartikel Als de dood voor de liefde
of dit gedicht over doodgaan,
of dit verhaal over omgaan met iemand die rouwt.

Afvaart

Afvaart

Ik ben aan boord gegaan
Ik heb me zachtjes van de wal weggeduwd
en dreef toen op het dragend water.

Waar de wind vandaan kwam weet ik niet
maar ze voert me zachtjes mee naar later.

Zie je: meer dan romp en roer en touw en zeil is er niet nodig
en vertrouwen dat het waaien,
dat je drijven zal

rustig en zeker
zorgeloos.

– Kaj van der Plas –

Wat zeg je tegen een kind als iemand is overleden? Voor mijn poëzieproject dichtte ik erover. Ontdek het gedicht hier.