Zeven tips voor meer balans in je carrière

Hoe bouw je aan balans in je carrière?

Zeven tips om van een koorddanser te leren. Want wie aan het begin van z’n carrière staat is net een koorddanser. Als je start in een veelbelovende baan, is het alsof je je eerste passen zet op een smal koord. Waar het je brengt kun je nog niet zien: de toekomst is nog niet gerealiseerd. Maar een ding weet je wel: dat het een kwestie van balans is of je op het koord blijft en het einde haalt, of valt en weer opnieuw moet beginnen. Hoe komen professionele koorddansers aan de overkant? Je kunt veel van ze leren. Let maar op.

1. Start niet te snel

Voor de volledigheid: je stapt op het slappe koord. Dat betekent dat begin en einde het steilste zijn. De verleiding om een vliegende start te maken is er een om niet aan toe te geven. Als het lukt: de druk die je ervaart om te groeien en te presteren is groot. Gelukkig ben je jong en kun je veel.

Voorkom burn-out

Toch komt er voor veel starters na een aantal jaar een punt waarop het begint te kriebelen. Je hebt een bredere motivatie nodig dan jezelf bewijzen dat je het kunt. Als je niet tijdig vertraagt en kritisch beschouwt wat je doet en hoe en waarom, ligt burn-out op de loer.

Het is er nog lang niet, maar ook het laatste stukje van je loopbaan is extra steil. Het loslaten van je werkomgeving en van je collega’s, het wegvallen van de tijdsbesteding en bron van ‘zin’ die je werk ook is, vraagt evenveel aandacht en zorgvuldigheid als het begin van je carrière.

2. Houd je zwaartepunt laag

Lopen is voortdurend vallen. Je beweegt je lijf steeds over je zwaartepunt heen naar voren. Het is prachtig als je met je hoofd, je verstand en inzicht, vooruitkomt. Maar puur vanuit je hoofd is het lastig je evenwicht te houden. Je zwaartepunt zit dan veel te hoog en je wordt wankel.

Vergeet je gevoel niet

Daal dus regelmatig, liefst voortdurend ook een eindje af met je aandacht. Naar je hart bijvoorbeeld, je gevoel. Naar je buik, je intuïtie. Naar je voeten, het contact met de plek en de omgeving waar je je op dat moment bevindt. Dat zorgt ervoor dat je steviger staat en gaat.

3. Houd contact met het koord

Hiervoor al even genoemd, maar ook als zelfstandige tip. Koorddansers hebben schoentjes met dunne zolen. Ze zijn dik genoeg om hun voeten te beschermen tegen de scherpe strengen van het koord. Maar dun genoeg om optimaal draagvlak voor hun lichaam te creëren: de voeten kunnen zich buigen rond het koord.

Beentjes op de grond

Vergeet dus bij het voortbewegen het draagvlak niet, hoe hoog ook je hakken en hoe slijtvast ook je zolen. Daar haal je je draagkracht vandaan.

4. Richt je ogen niet alleen op het doel, maar ook op de weg

Emile Ratelband liet zijn cursisten hun ogen op het doel richten, en onder het roepen van “koel mos” over een paar meter gloeiende kolen naar de overkant lopen. Koorddansen is geen vuurlopen. Je bent ook wel wat langer onderweg.

De weg is net zo belangrijk als het doel

Met de loop der jaren verschuift het accent in je carrière van het doel dat je je stelt, naar de weg die je bewandelt. Houd oog voor het koord! Misschien houdt het na een paar meter wel op, en moet je overspringen op een ander. Who knows!

5. Let op je tempo

Om gezond het andere einde te halen, heb je energie nodig. Energie om in balans te blijven en energie om je voort te bewegen. Investeren in wat jou energie geeft is dus een noodzaak. Natuurlijk krijg je energie van je werk, maar het is verstandiger om te ‘compartimenteren’.

Compartimenteren

Om even een uitstapje naar de scheepvaart te maken: als een van de compartimenten onverhoopt lek slaat, blijf je nog steeds drijven. Halverwege opbranden, dat wil je niet: daarom is het soms beter even wat af te remmen, dan net zo lang door te hollen tot je wordt stilgezet. Bovendien geniet je meer van het uitzicht om je heen.

6. Spreid je armen

Het koord voor je en achter je, en je lichaam daar recht boven zijn niet de enige assen die belangrijk zijn. Haaks erop staan je armen, wijd uitgespreid, al dan niet voorzien van een stok om je nog meer balans te geven. Kijk niet alleen vooruit, terwijl je gisteren achter je laat. Wees niet alleen bezig met het verlagen van je eigen zwaartepunt, en het waar nodig vertragen van je pas. Realiseer je ook wat er naast je gebeurt.

Investeer in relaties

Wie je naast je hebt om je armen naar uit te strekken. Wie daar is om je te helpen in evenwicht te blijven. Investeer in je relaties, je vrienden, een partner: het kan flink waaien op jouw hoogte en ze helpen jou in evenwicht blijven.

7. Check het koord

Je zult ontdekken dat het koord van meter tot meter kan verschillen. Ook de omgeving waar je doorheen loopt verandert voortdurend. Het kan soms te hard waaien. Soms raak je het gevoel voor het nieuwe stuk koord kwijt en lukt het niet om er goed contact mee te krijgen. Misschien kruis je een ander koord dat meer bij jou past.

Wees ook loyaal aan jezelf

Bekijk op zo’n moment of het niet beter is om over te stappen. Uiteindelijk ben jij degene die het andere einde mag halen: dat is belangrijker dan het koord dat je volgt.

Ik wens je een wandeling vol prachtige vergezichten. En als je een keer valt (wie gebeurt dat niet), stap je gewoon weer op!

Spannend filmpje: koorddanser Nik Wallenda

 

De herder en de steen, een sprookje over kunst

Er woonde eens, in een klein paleis in een land hier ver vandaan, een prinses.
Deze prinses stond in de wijde wereld bekend als iemand met inzicht in de menselijke ziel, en het vermogen anderen dichterbij de waarheid te brengen.

Op een dag ging het bericht door alle landen dat de jonge prinses een echtgenoot zocht. Wie met haar wilde trouwen had zeven weken de tijd om bij haar paleis te komen. Daar zou hij een opdracht krijgen.

Zeven weken lijkt een zee van tijd, maar het paleis van de prinses stond midden tussen hoge bergen. Er was maar een weg naartoe, die zich langs de hellingen omhoog slingerde en lang was en zwaar. Slechts drie jongemannen bereikten daarom op tijd, binnen de zeven weken, het paleis.

De eerste was een ridder, groot en sterk. Hij kwam uit een ver land en had weken gereden zonder stoppen. Omdat de weg te lang zou duren, had hij onderaan de hellingen zijn paard achtergelaten. Op pure kracht was hij over de steile bergen geklommen. Nadat hij de prinses zijn liefde had verklaard, kreeg hij eten en drinken en een kamer in het paleis.

Toen kwam de tweede kandidaat aan, een student uit een verre stad. Hij had een reusachtige houten duif gebouwd, waarmee hij over bossen en meren was gevlogen en uiteindelijk zelfs over de hoge bergen rond het paleis. Ook hij kreeg, nadat hij verteld had dat hij met de prinses wilde trouwen, een kamer, eten en drinken.

De derde kandidaat was niet vermoeid toen hij arriveerde, want hij kende de bergen en de slingerweg goed. Het was een herder uit een dorp aan de andere kant van de berg. ‘Als het mag wil ook ik aan de opdracht meedoen,’ stamelde hij bescheiden. Ook voor hem werd een kamer gereedgemaakt.

De volgende ochtend werden de drie jongemannen geroepen naar de tuin van het paleis. Daar op het gras stond een grote grijze steen met een vreemde groene gloed. De prinses was er ook. Zij keek de jongemannen rustig aan en sprak toen: “Wie deze magische steen weet open te breken is het waard om met mij te trouwen.”

Ze mochten het alle drie een dag proberen, vanaf zes uur in de morgen tot zes uur ’s avonds. Als eerste was de ridder aan de beurt, omdat hij als eerste was aangekomen.

Toen de klok die morgen zes sloeg, vroeg de ridder om een sloophamer. Met de enorme hamer in zijn handen liep hij een rondje om de grote steen. Hij tilde de hamer op en liet hem zo hard neerkomen dat de vonken eraf sprongen. Maar er was geen deukje, geen barstje te zien. Hij beet op zijn tanden en sloeg nog eens en nog eens tot de grond ervan trilde. De grijze steen bleef heel. De hele dag sloeg hij, dreun na dreun, zwaaide zijn hamer tot zijn spieren trilden en zijn kleren dropen van het zweet. Zonder resultaat. Toen de paleisklok zes sloeg gromde hij en op de laatste klokslag gaf hij met een enorme schreeuw zijn laatste klap. Drie hete schilfers schoten van de steen en verwondden hem aan zijn armen. Maar de steen spleet niet.

De dag erna was de beurt aan de student. Zijn vingers gleden over de steen en volgden een denkbeeldige groef naar beneden. Hij knikte resoluut en vroeg om brandhout. Het hout stapelde hij op rondom de rots, en vervolgens vroeg hij om een fakkel, een trap en een ton met water. Hij stak het vuur aan en bleef het de hele dag van nieuw hout voorzien tot de lucht boven de steen trilde en het gras rondom verschroeid was. Toen het laatste houtblok tot gloeiende houtskool was verteerd, zette hij de trap dichtbij, klom naar boven met de zware ton water en gooide hem bovenop de steen kapot. Waar hij verwacht had dat de kou de hete steen zou splijten, gebeurde er niets. Hij aarzelde zo lang bovenop de trap dat hij niet zag hoe die schroeide en vlam vatte. Met brandwonden aan zijn benen werd hij naar zijn kamer gebracht.

Op de derde dag was de herder aan de buurt. Hij liep met wallen onder zijn ogen rond de steen. Hij had niet kunnen slapen van de zenuwen. Want als de kracht van de ridder en de kennis van de student niet genoeg waren geweest om de steen te splijten, hoe kon hij dan ooit het hart van de prinses veroveren? Van zes tot zeven liep hij om de steen, van zeven tot acht ijsbeerde hij heen en weer, van acht tot negen zat hij maar wat op de grond en van negen tot tien beet hij peinzend op zijn nagels. Toen stond hij op en liep met hangende schouders naar de steen. Hij leunde zijn voorhoofd er tegenaan en tranen rolden over zijn wangen en over de steen.

“Wat is er, herder?” Zonder dat hij het gemerkt had was de prinses achter hem komen te staan. “Ik weet het niet. Ik weet het niet. Het spijt me.” Hij boog snikkend zijn hoofd: “Ook ik krijg de rots niet open. Dit is alles wat ik ben. Ik ben niet sterk en ik weet niet veel. Dit is alles.” Plotseling klonk er een zacht gekraak achter hem. Hij draaide zich om en zag dat de steen zich geopend had, en uit het glimmende hart van de steen stroomde water alsof die zijn tranen meehuilde. Weer draaide hij zich om, en zag toen dat ook de prinses tranen in haar ogen had. Gelukkige tranen. Ze keek hem aan en zei: “Bedankt dat jij bent opengegaan.”

Ze trouwden en leefden nog lang en verstandig. En de geopende steen bleef staan in de tuin, als herinnering dat het leven zich pas voor je opent, als jij bereid bent open te gaan.

Meer verhalen lezen? Koop dan een van mijn verhalenbundels!

Over dit verhaal

Deze metafoor over kunst heb ik geschreven ter gelegenheid van de onthulling van het kunstwerk ‘De verbinding’ van Jef Depassé-Huisman in Eelde, 10 september 2016. Een steen waarvan het hart is blootgelegd.

Foto: Tom van der Velde.

De zware steen

Er was eens een man die een zware steen op zijn rug droeg, de hele dag door.
Op een dag vroeg zijn zoon hem: ‘Vader, waarom draagt u toch die steen?’
De vader antwoordde: ‘Zoon, dat doe ik omdat mijn vader dat deed, mijn grootvader en diens vader vóór hem. Het is traditie. Op een dag zal het jouw taak zijn deze steen te dragen.’
Vanaf dat moment kon de zoon niet wachten tot hij oud genoeg was. Hij hield van zijn vader en zag hem dagelijks meer zwoegen. Hij verlangde ernaar hem het gewicht van de schouders te nemen. Uiteindelijk gebeurde dat.
Op het moment dat hij de zware steen had overgenomen, gebeurde er iets wonderlijks met zijn vader. De oude man ging steeds rechter op staan. Hij werd licht en begon te zweven. Zijn voeten kwamen los van de grond en hij dreef omhoog, de lucht in. Naar beneden kijkend riep hij nog: ‘Vaarwel, mijn zoon.’
‘Vaarwel, vader.’
Nu droeg de jongen de zware steen op zijn rug. Hij raakte er al snel aan gewend. Toen ontmoette hij een aantrekkelijke jongen, die vroeg: ‘Waarom draag je dat gewicht met je mee?’
‘Traditie. Mijn vader deed het, mijn grootvader en diens vader vóór hem.’
‘Laat die steen vallen,’ zei de ander terwijl hij een hand op zijn wang legde. ‘Ik heb voor jou wel iets beters te doen.’
Toen hij het rotsblok liet vallen om hem te volgen, het huis in, viel het op de grond en brak in wel honderd stukken. Ieder stuk een prachtige, gladde kiezelsteen.
(Vertaling/Bewerking door Kaj, van een verhaal van Loren Niemi uit zijn ‘Hansel and Gretel-cyclus)

Meer verhalen lezen? Koop dan een van mijn verhalenbundels!

Manole’s tranen – een Roemeense legende

In de dertiende eeuw, op een zomerse ochtend, reed er een stoet ruiters door de vallei van de Arge. Het was de prins van Wallachia met in zijn reisgezelschap de beroemde bouwmeester Manole en diens negen ongeëvenaarde bouwlieden.

Aan een geitenhoeder vroeg de prins waar in de vallei de resten van een oude muur te vinden waren. De jongen wees met zijn stok naar een hazelaarbosje verderop en vertelde dat zijn honden altijd jankten en gromden wanneer ze bij de overwoekerde muur in de buurt kwamen. De prins glimlachte echter en leidde het gezelschap er recht naartoe.

Daar beval hij Manole en zijn bouwlieden om het hoogste, mooiste klooster ter wereld te bouwen. Hij beloofde hen goud en landgoederen als ze zouden slagen. Als ze zouden falen, zou hij ze levend begraven onder de hoekstenen ervan.

Spoedig hadden de metselaars het fundament gelegd, en nog voor de avond viel begonnen ze de muren van het grote klooster op te richten. Bij het aanbreken van de nieuwe dag was echter al hun metselwerk ingestort. Onverschrokken bouwden ze de muren opnieuw op, hoger en sterker. Maar wat ze bij dag opstapelden, viel bij nacht in elkaar. Weer bouwden ze, weer zakte alles in. Toen de prins kwam kijken en zag hoe weinig vooruitgang ze boekten, waarschuwde hij dat hun leven op het spel stond.

De volgende morgen versliep Manole zich, en toen hij ontwaakte riep hij zijn mannen en vertelde dat hij een droom had gehad. Een stem had hem verteld dat zij om te slagen een levende vrouw moesten inmetselen in de muur. Manole was erop gebrand het klooster in al zijn pracht en praal te bouwen. Hij liet allen daarom een eed zweren dat zij de eerste zus of echtgenote zouden offeren die de volgende ochtend haar broer of man eten zou komen brengen.

Bij dageraad de volgende dag zag Manole iemand de vallei in komen lopen. Als eerste. Het was zijn eigen vrouw, Ana. Dat kon niet waar zijn! Hij viel op zijn knieën en bad om een stortvloed die zijn vrouw terug naar huis zou spoelen. Zijn gebeden werden verhoord: zwarte donderwolken lieten zo’n onheil op de vallei los, dat de beken zwollen en de rivier buiten haar oevers trad. Maar Ana, die Manole’s voedsel voor die dag bij zich droeg, waadde onaangedaan door het water. Nu riep Manole de wind aan om door de vallei te blazen – een storm die de sparren kaal blies, de esdoorns boog en de bergtoppen afvlakte. Maar Ana klemde haar mand tegen zich aan en vocht dapper tegen de storm. Tot ze uiteindelijk aankwam.

De ambachtslieden en metselaars juichten toen ze haar zagen. Manole omhelsde haar alleen maar en overdekte haar met kussen. Toen leidde hij haar de steigers op, en haalde haar over een spelletje te spelen. Hij zou doen alsof hij haar inmetselde. Ze vertrouwde hem volledig, dus Ana liet hem steen na steen om haar heen opstapelen. Maar toen ze merkte dat hij bleef metselen, smeekte ze hem op te houden. Toen hij ter hoogte van haar borst was, schreeuwde ze dat hij hun ongeboren kind verdrukte. Met een kotsmisselijk hart legde Manole steen voor steen over haar schouders, over haar gezicht. De bouwlieden hoorden haar ondertussen nog kreunen dat haar kind gestorven was en haar eigen leven werd uitgedoofd.

Toen de prins terugkeerde met zijn soldaten, waren de bouwlieden op het dak van de hoogste toren bezig de laatste hand aan het klooster te leggen. De prins was vol verwondering en riep naar boven ze of ze ooit nog zo’n klooster zouden kunnen bouwen, maar dan nog fraaier. De metselaars lachten en antwoordden: ‘Natuurlijk, we kunnen altijd nog een groter gebouw maken, zelfs nog mooier dan dit!’ De prins liet onmiddellijk zijn soldaten de steigers en ladders weghalen, waardoor Manole en zijn mannen gevangen zaten op het dak. Zo zorgde hij ervoor dat er nooit een mooier gebouw zou verrijzen.

Nadat ze nagedacht hadden over hun noodlot, besloten de bouwlieden vleugels te maken van de houten dakspanten, zodat ze veilig naar beneden zouden kunnen vliegen. Een voor een sprongen ze van het hoge dak, en vielen te pletter. Manole, alleen op het hoge dak, hoorde het kreunend geschreeuw van zijn geliefde opstijgen uit het metselwerk. Zijn blik vertroebelde, de hemel draaide en wat boven was werd onder en andersom. Daar waar zijn lichaam neerkwam ontspringt nu een zilte bron. Men zegt dat het Manole’s tranen zijn.

Eigen vertaling en bewerking door Kaj, van een vertaling en bewerking van een Roemeense legende door Craig Coss en Mary Georgescu

Meer verhalen lezen? Koop dan een van mijn verhalenbundels!

Podcast: Interview met Kaj van der Plas

Na drie podcasts over verhalen, over de werkelijkheid zien voor wat ze is (of juist niet) en over het mystieke verlangen naar een wij-gevoel, was het tijd voor een interview:


Inleiding op kerkzondergrenzen.nl
“Kaj van der Plas noemt zich in zijn Twitter-profiel (volg hem hier) ‘verhaloloog’. En het is waar: alles wat Van der Plas onderneemt, is terug te leiden op zijn fascinatie voor storytelling. Hij is predikant te Eelde-Paterswolde, schrijft zelf op zijn blog, verhuurt zich als tekstschrijver, vertelt al meer dan twintig jaar verhalen voor publiek, en dicht over ‘mijmerend ouderschap’ op doorjeoogharen.nl. Voor Woord op Zondag kijkt hij door zijn oogharen naar die diepmenselijke neiging om alles om ons heen in een verhaal te willen gieten.”

Je vindt de podcasts hier

nummer 1: Ik en wij
nummer 2: De werkelijkheid zien
nummer 3: Sprookje of waarheid?

Muziek in de uitzending

Je hoort Willem Vermandere – Alles gaat over.
Hier vind je het hele liedje, prachtig verhaal over iemand die terugblikt op zijn jeugd in Vlaanderen.