Het monster dat kleiner werd

Ver naar het Zuiden, voorbij de Grote Waterval, was een klein dorpje waar een zekere jongen leefde bij zijn oom. Die oom stond bekend als de Dappere, want hij was een jager en had enorm veel grote dieren gedood, en deed afschuwelijk tegen zijn neefje omdat hij die een lafaard vond. Hij probeerde hem bang te maken door verhalen te vertellen over de verschrikkelijke monsters die volgens hem in het bos leefden, en de jongen geloofde wat hem werd verteld, want was het niet zijn oom, de Dappere, de Machtige Jager, die het hem vertelde?

Als hij afdaalde naar de rivier dacht hij dat de krokodillen hem zouden opvreten. En als hij het bos in ging, dacht hij dat iedere schaduw een slang verborg hield en dat harige spinnen onder de bladeren zaten te wachten tot ze hem konden bespringen. Het meest dreigend voelde altijd het pad richting het dorp, en als hij dat moest nemen, deed hij dat meestal rennend.

Op een dag, toen hij op het meest enge deel van het pad was, hoorde hij een stem roepen vanuit de schaduwen onder de donkerste bomen. Hij deed zijn vingers in zijn oren en rende nog sneller, maar hij kon de stem nog steeds horen. Zijn angst gierde als een storm door hem heen, maar toch kon hij ook zijn hart nog horen en zijn hart zei hem:
‘Misschien is degene die daar roept nog wel banger dan jij. Jij weet hoe het is om bang te zijn. Denk je niet dat je zou moeten helpen?’
Dus hij haalde zijn vingers uit zijn oren, balde zijn vuisten om zichzelf dapperder te voelen, dook de diepe schaduw in en baande zich een weg door doornstruiken in de richting van het geschreeuw.

Hij vond een haas, die met zijn poot verstrikt zat in een kluwen klimplanten. De haas zei: ik was zo bang, maar nu jij er bent ben ik niet bang meer. Je moet wel vreselijk dapper zijn om alleen het bos in te lopen.
De jongen maakte de poot van de haas los, nam hem op schoot en aaide hem en zei: ‘Ik ben helemaal niet dapper. In het dorp noemen ze me Miobi, de Bangerd. Ik zou me hier nooit gewaagd hebben, maar ik hoorde jou roepen.

De haas vroeg: ‘Waarom ben je bang? Waar ben je bang voor?’

‘Ik ben bang voor de krokodillen in de rivier, en voor de slangen en spinnen die me opwachten in het bos. Maar het allerbangste ben ik voor de dingen die ritselen in het rieten dak boven mijn bed – mijn oom zegt dat het gewoon ratten en hagedissen zijn, maar ik weet wel beter, het is iets veel ergers.’

‘Wat jij zou willen’ zei de haas, ‘is een huis met dikke muren waarin je jezelf zou kunnen opsluiten tegen alles waar je bang voor bent?’

‘Ik denk niet dat dat zou helpen,’ zei Miobi, ‘Want als er geen ramen in zouden zitten, zou ik bang zijn niet te kunnen ademen, en als er wel ramen in zouden zitten, zou ik er voortdurend naar moeten kijken of er geen dingen naar binnen kruipen om me op te vreten.’

De haas was inmiddels gestopt met bibberen van angst, en Miobi zei: ‘Je weet nu dat ik niet dapper ben, dus ik kan je niet echt beschermen. Maar als je denkt dat het toch beter is dan niets, zal ik je naar huis dragen. Waar woon je?’

Tot zijn stomme verbazing hoorde Miobi de haas antwoorden: ‘Ik woon in de maan, dus je kunt niet met me mee naar huis. Maar ik zou je wel graag iets willen geven als dank voor hoe aardig je voor me bent. Wat zou je het allerliefste hebben van de hele wereld?’

‘Ik zou wel moed willen hebben… maar ik denk dat niemand zoiets kan geven.’

‘Ik kan het je niet geven, maar ik kan je wel zeggen waar je het kunt vinden. De weg ernaartoe moet je alleen afleggen. Maar als je het allerbangste bent, kijk dan omhoog naar de maan en ik zal je vertellen hoe je ze kunt overwinnen.’

Toen vertelde de haas Miobi over de weg die hij moest volgen, en de volgende ochtend, nog voor zijn oom wakker was, ging de jongen op reis.

Het enige wapen dat hij bij zich had was een dolk die de haas hem had gegeven. Die was lang en scherp, en bleek als het licht van de maan.

Na een tijdje kwam de weg uit bij een brede rivier. Miobi werd bang, want her water was vol krokodillen, die naar hem staarden met hun gemene kleine oogjes. Maar hij herinnerde zich wat de haas had gezegd, en nadat hij had opgekeken naar de maan riep hij naar ze: als jullie dood willen moet je me zeker komen aanvallen.

Daarna sprong hij in de rivier, zijn dolk stevig in zijn hand, en begon naar de andere oever te zwemmen.

Tot hun eigen verbazing waren de krokodillen bang voor de jongen. Om hun eigen waardigheid nog een beetje te redden, zeiden ze tegen elkaar: ‘Hij is veel te dun om op te eten, dat is verspilde moeite.’ Ze deden hun ogen dicht alsof ze hem niet zagen. En miobi bereikte veilig de andere oever, en vervolgde zijn weg.

Een paar dagen later zag hij twee slangen, elk zo groot dat hij moeiteloos een hele os zou hebben kunnen opeten. Tegelijkertijd, als met 1 stem, zeiden de slangen: ‘Als je nog 1 stap dichterbij komt, eten we je op!’

Miobi was doodsbang, want slangen joegen hem altijd de meeste angst aan. Hij stond op het punt hard weg te rennen, toen hij omhoogkeek naar de maan, en direct wist wat de haas hem vertelde te doen.

‘O grote en wijze slangen,’ zei hij beleefd, ‘een jongen zo klein als ik zou hooguit een van jullie kunnen vullen. De helft van mij zou niet genoeg zijn om jullie allebei een verzadigd gevoel te geven. Dus beslis alstublieft onder elkaar door wie van u ik de eer zal hebben om te worden opgegeten.’

‘Verstandig, zeker, ik zal je zelf opeten’ zei de eerste slang.

‘Nee, dat zul je niet, hij is van mij!’ zei de tweede.

‘Nonsens, jij had die rijke koopman, die was zo druk met geld tellen dat hij het pas merkte toen jij zijn benen te pakken had.’

‘Ho even, pakte jij niet die vrouw die zichzelf in haar spiegeltje aan het bewonderen was, je pochte nog dat ze zo lekker mals was!’

‘De rijke koopman was daarna’ zei de eerste.

‘Echt niet!’

‘Echt wel!’

‘Niet!’

‘Wel!’

Terwijl de slangen druk aan het kibbelen waren over wie van hen Miobi zou mogen opeten, was hij ze ongezien voorbij geglipt en uit het zicht verdwenen. Dus geen van de slangen had ontbijt die morgen.

Miobi was zo vrolijk dat hij begon te fluiten. Voor het eerst in zijn leven genoot hij van de vorm van de bomen en de kleuren van de bloemen, in plaats van zich zorgen te maken over de gevaren die zich er schuilhielden.

Kort daarna kwam er een dorp in zicht. En al van een afstand hoorde hij klaaglijk gehuil. Toen hij over de weg door het dorp liep, merkte niemand hem op, want de mensen waren kreunend en klagend in zichzelf verzonken. De kookvuren waren uit, geiten mekkerden omdat men vergeten was ze te melken. Babies huilden omdat ze honger hadden, en een klein meisje riep omdat ze gevallen was en een snee in haar knie had maar haar moeder keek niet naar haar om.

Miobi liep naar het huis van de hoofdman en trof hem aan voor zijn huis, in kleermakerszit, met as op zijn hoofd, zijn ogen dicht, en zijn vingers in zijn oren. Miobi moest heel hard roepen voordat de man een oog en een oor opende en gromde: wat wil je?

‘Niets’ zei Miobi beleefd, ‘Ik wou vragen wat u wilde, waarom is uw dorp zo ongelukkig?’

‘Jij zou ook ongelukkig zijn,’ zei de hoofdman kwaad, ‘als een monster jou op zou komen eten.’

‘Wie wordt er opgegeten? U?’

‘Ik en alle anderen, zelfs de geiten, hoor je niet hoe ze mekkeren?’

Miobi was te beleefd om te zeggen dat de geiten misschien mekkerden omdat niemand ze gemolken had. Dus hij vroeg de hoofdman: ‘Jullie zijn met best veel mensen in dit dorp. Zouden jullie allemaal samen niet sterk genoeg zijn om het monster te doden?’

‘Onmogelijk!’ zei de hoofdman. ‘Te woest, te groot, te verschrikkelijk. Daar is iedereen het over eens.’

‘Hoe ziet het monster eruit?’ vroeg Miobi.

‘Ze zeggen dat het de kop heeft van een krokodil en het lijf van een nijlpaard en een staart als een dikke slang, maar het is ongetwijfeld nog veel erger. Praat er niet over!’ Hij deed zijn handen over zijn gezicht, en wiegde zich van voor naar achter, kreunend in zichzelf.

‘Als u me vertelt waar het monster leeft, zal ik het voor jullie proberen te doden,’ zei Miobi, en hij was er zelf verbaasd over.

‘Dat is heel wijs van je’, zei de hoofdman, ‘want dan word je meteen opgegeten en hoef je je daar ook geen zorgen meer over te maken. Het monster woont in de grot op de top van die berg daar. De rook die je ziet komt van zijn vurige adem, dus je wordt al gebakken nog voordat hij je opgegeten heeft.’

Miobi keek omhoog naar de maan en wist wat de haas wou dat hij zei, dus hij zei het: ‘Ik zal de berg op gaan en met het monster vechten.’

De klim kostte hem lange tijd, maar toen hij halverwege was kon hij het monster al vrij duidelijk zien. Het stampte heen en weer bij de opening van zijn grot, vurige ademstoten kwamen uit zijn neusgaten, het leek ongeveer zo groot als drie grote vlotten, wat heel groot is, zelfs voor een monster.
Miobi zei tegen hemzelf: ‘Ik mag pas weer kijken als ik helemaal boven ben. Anders krijg ik de neiging om weg te rennen en lukt het klimmen me niet meer.’

Toen hij na een tijdje voor tweede keer naar het monster keek, verwachtte hij dat het nog groter zou zijn dan van een afstandje. Maar in plaats daarvan leek het smaller, hooguit iets groter dan 1 vlot, in plaats van 3.

Het monster zag hem nu ook, en het snoof kwaad, en de snuif knetterde langs de helling en schroeide Miobi’s huid. Die was al een eind weggerend voordat hij zichzelf kon laten stoppen. Nu leek het monster weer groter, drie vlotten groot en misschien wel vier.

Miobi zei bij zichzelf: ‘dit is wel heel gek: hoe verder ik van het monster ben, hoe groter het lijkt en hoe dichterbij hoe kleiner. Misschien als ik heel dichtbij ben is hij wel zo klein dat ik hem met mijn dolk kan doden.’

En met zijn ogen dicht, zodat de vurige adem hem niet zou verblinden, en met zijn hand stevig om de dolk zodat hij hem niet zou verliezen, en meteen, zodat hij zich niet zou bedenken, rende hij de helling op in de richting van de grot.

Toen hij eindelijk zijn ogen opende, zag hij niets dat gedood hoefde te worden. De grot leek leeg, en hij dacht even dat hij de verkeerde kant op was gerend. Toen voelde hij iets heets bij zijn rechtervoet. Hij keek naar beneden, en daar zat het monster, zo klein als een kikker. Hij pakte het op en kriebelde het over zijn rug. Het beestje was prettig warm zo in zijn handen, en maakte een klein vriendelijk geluidje, ergens tussen het spinnen van een kat en het gepruttel van een pan soep.

Mobi dacht eerst: ‘Arm klein monster. Wat zal het zich eenzaam voelen in deze enorme grot.’ En toen dacht hij: ‘Het zou een leuk huisdier zijn, en zijn vurige adem heel handig om het kookvuur aan te steken.’ Dus droeg hij het voorzichtig naar beneden langs de helling van de berg, en het krulde zich op tussen zijn handen en viel in slaap.

Toen de dorpelingen Miobi zagen, dachten ze eerst dat ze droomden, want ze waren zeker geweest dat het monster hem zou doden. Maar daarna riepen ze hem uit tot held, en zeiden ‘Eer aan de machtige jager, hij de dapperste van allen, hij heeft het monster verslagen!’
Miobi voelde zich er erg ongemakkelijk bij, en zodra hij zich boven het roepen uit verstaanbaar kon maken, zei hij: ‘Maar ik heb het niet doodgemaakt, ik heb het meegenomen als huisdier.’

Ze dachten dat hij alleen maar bescheiden was, en het duurde even voor ze hem geloofden, hij moest het hele verhaal vertellen over hoe het monster groter leek van een afstand maar toen hij er eenmaal naast stond zo klein was dat hij het in zijn handen kon dragen.

De mensen drongen rond hem om het monster te zien. Het werd wakker, en gaapte een wolkje rook, en begon te spinnen. Een klein meisje vroeg aan Miobi: hoe heet het?

‘Ik weet het niet’ zei Miobi, ‘dat heb ik nog niet gevraagd.’

Het was het monster zelf dat antwoord gaf. Het stopte met spinnen, keek rond om zeker te zijn dat iedereen luisterde, en zei toen:

‘Ik heb vele namen. Sommigen noemen me hongersnood, anderen noemen me epidemie, de meest beklagenswaardige mensen geven me eigen namen.’ Het gaapte weer, en zei toen: ‘Maar de meeste mensen noemen me ‘wat zou kunnen gebeuren’.

Joan Grant, The Monster That Grew Smaller
vert. Kaj van der Plas

Les over Atta

[button color=”pink” size=”normal” alignment=”none” rel=”follow” openin=”samewindow” url=”https://www.dropbox.com/scl/fi/lwwfker5ayuqtv3rpfsk2/Les-totaal-in-powerpoint.pptx?rlkey=682g24eks36se002jp6ezqerh&st=nrb55fq5&dl=0″]bekijk hier[/button]

[button color=”pink” size=”normal” alignment=”none” rel=”follow” openin=”newwindow” url=”https://www.dropbox.com/scl/fi/lwwfker5ayuqtv3rpfsk2/Les-totaal-in-powerpoint.pptx?rlkey=682g24eks36se002jp6ezqerh&st=nrb55fq5&dl=1″]download hier[/button]

Het graf van de Kleine Prins

Er ligt een graf in de woestijn. Je kunt het niet zien. Het is een eindje lopen vanaf de plek waar ik neerkwam met mijn vliegtuig. Ook dat kun je niet meer zien. De wind blaast het zand in steeds veranderende duinen. Maar de nacht is daar, in de woestijn in het Noorden van Afrika, wel hetzelfde gebleven. Als je omhoog zou kijken zou je het geschitter zien van vijfhonderdmiljoen twinkelende sterren.

Ik had geen aandacht voor de sterren, op de avond dat ik hem begroef. Hij woog nauwelijks iets, de kleine jongen met het haar goudgeel als koren in de zomerzon. Op zijn gezicht was geen spoor van angst of pijn. Zijn ogen waren dicht en de dodelijke beet in zijn iele enkel heb ik verstopt onder het wit van zijn opgetrokken sok. Zo heb ik hem neergelegd in het kleine graf dat ik voor hem maakte, met de schep uit het ruim van mijn kist.

De tekeningen die hij van me vroeg heb ik er bovenop gelegd. Een schaap wilde hij, een schaap maar ik kon helemaal geen schapen tekenen. Alleen een boa met in zijn buik een olifant, die de meeste mensen aanzagen voor een hoed. Toen was ik opgehouden met tekenen, ik was een kind nog. Maar dit kind liet me mijn potlood oppakken en in plaats van berekeningen en aanwijzingen een schaap in mijn notitieblok tekenen. Toen dat niet lukte, hij lachte me uit, dacht ik hem het zwijgen op te leggen door een krat te tekenen met luchtgaatjes erin en te zeggen: dit is je schaap en ik heb er vast een reiskrat omheen getekend.

Maar weet je hoe hij reageerde? Enthousiast: dit was precies het schaap dat hij wilde, en bedankt voor het reiskrat, en of ik er nog een muilkorf bij wilde geven zodat het schaap niet aan de roos zou knagen die als enige bloem op zijn planeet groeide en waar hij zo aan gehecht was.

De tekening heb ik op zijn borst gelegd. Me verontschuldigd dat ik de muilkorf was vergeten en toen zand erover. Het is een dankbaar werk, dat scheppen, want het zweet mengt zich met je tranen en je spieren worden net zo moe als de verdrietige gedachten in je hoofd. Je voelt je week maar voelt tegelijkertijd dat je lichaam de spieren en botten heeft om je kwetsbaarheid te verdragen.

Ik wilde dat ik een roos had om op dat kleine nieuwe zandduintje te leggen, daar in de nacht in de woestijn. En terwijl ik daar stond, langzaam weer adem krijgend met de schep in mijn hand, hoorde ik plotseling een ruisend geluid van iets zwaars dat over zand sleept, keek om en zag iemand aankomen met op zijn hoofd een kroon die donkergoud glansde in het maanlicht. Toen de figuur zich naast het graf opstelde, zijn keel schraapte en begon te spreken herkende ik hem. Zonder dat ik hem ooit had ontmoet. Of wel, want het was de koning waarover de jongen mij had verteld.

“Nagereisd ben ik hem, de jongen met haren van goud, want niets in de kosmos gebeurt zonder dat ik het beveel, en ik ben een redelijke vorst. Dus ik beveel niets wat tegen de beste gang van zaken ingaat. Ik beveel u bijvoorbeeld uw schep neer te leggen, want ik zie dat die zwaar begint te wegen in uw hand.” Hij had gelijk. Ik legde de schep naast me neer, maar toen schoot gelijk de twijfel door me heen of ik er zelf toe besloten had of mezelf nu tot zijn onderdaan had gemaakt.

“Het is niet goed dat een kind te vroeg de wereld verlaat. Iets in de manier waarop hij vertrok bleef bij me knagen en nu weet ik wat het was. Hij was onvermijdelijk onbevangen, en dat kan niet, want alles bevindt zich onder mijn bevel. En daarom beveel ik nu: Jongen, sta op! Ik beveel je een gouden toekomst te hebben. Ik beveel je om onbevangen te vragen en te leven, jongen sta op, sta op jongen met je gouden haar, ik beveel het je.” Toen was hij stil.

Er gebeurde niets. Natuurlijk gebeurde er niets. En toen de koning mij gelastte om het zand te verwijderen dat de jongen waarschijnlijk verhinderde omhoog te komen, hij was klein en teer en het zand ook maar alle korrels samen zijn zwaar, “Graven, beste man!”, weigerde ik. Hij keek me niet begrijpend aan, herhaalde zijn bevel maar ik schudde mijn hoofd en raapte mijn schep niet op.

De koning viel stil. Om ons heen was er niets dan zand en stilte. Boven ons twinkelden de sterren. En op dat moment klonk er een stem die riep: “Daar ben ik dan, jullie hebben ongetwijfeld op mijn aanwezigheid gewacht en ja, ik zie er ondanks de lange reis fantastisch uit, jullie zijn er stil van, maar wees gerust je mag iets doen met je gevoelens van ontzag en bewondering, die moeten er toch uit, jullie mogen applaudisseren en dan zal ik mijn hoed voor jullie afnemen.”

Uit het donker kwam een man in dwaas kostuum met een even dwaze hoed tevoorschijn gestapt met zijn armen wijd zoals een toneelspeler die applaus in ontvangst komt nemen en de houding van een kleuter die de inhoud van zijn potje komt laten zien. Ik knikte hem toe. De koning hield zijn ogen neergeslagen.

“Wat een ontvangst mensen, wat een ontvangst, jullie zijn helemaal stil van mijn verschijning natuurlijk… ik ben op zoek naar het jongetje met het gouden haar. Hij heeft voor me geklapt toen hij langskwam, geklapt tot hij niet meer kon, en is nu al een jaar vertrokken. Een jaar waarin bij mij het besef gegroeid is dat ik hem niet alleen had moeten laten gaan. Jongetjes hebben anderen nodig om te bewonderen, om tegenop te kijken. En ik heb in zijn ogen gezien dat ik daarvoor de juiste persoon ben. Zeg nou zelf.”

Je snapt dat we zwegen. Dat we niet klapten. Dat de koning in gedachten verzonken leek en ik besloot de ijdeltuit te negeren. Nadat die aankondigde dan maar voor zichzelf te applaudisseren, dat deed en zichzelf bemoedigend op de borst sloeg, liet hij zijn armen slap langs zijn zij vallen, om vervolgens zijn hoed van zijn hoofd te nemen en in zijn handen te verfrommelen. Ook hij deed er het zwijgen toe.

Ik probeerde door het zand heen te kijken zoals de jongen had gedaan met mijn tekening van het schaap. Daar onder dat heuveltje zijn lichaam te zien, en door dat lichaam heen iets wat niet dood was maar leefde. Het lukte niet. Hoe de jongen dat had gedaan was me een raadsel.

Als je heel lang krampachtig iets probeert te bedenken, worden je denkspieren moe en laten los. Ik merkte het bij mezelf. Ik zag het bij de koning die zijn kroon afnam en met een hand door zijn haren streek en toen over zijn gezicht en door zijn baard. Ik zag het aan de andere man die zijn kin optilde, terwijl zijn handen minder stevig om zijn hoed klemden. Iets in zijn ogen reflecteerde het licht van de maan.

Een beweging ving mijn blik. Ik knipperde ertegen maar het was echt, over het zand kwam geruisloos een slang aangegleden. Ik stond verstijfd toen hij opeens bij mijn enkel was, en kon niets doen terwijl hij langs mijn been omhoog klom. Via mijn hangende arm klom hij, bracht zijn kop bij mijn oor en siste: “ik los alle raadsels op, ik hak alle knopen door, draag me aan je hart en herinner je de reis voorbij de reis.” De ban brak.

Wat we al denkend niet hoorden, hoorden we nu wel. Zacht en in de hoogte en overal om ons heen. Het getinkel van vijfhonderdmiljoen gouden belletjes. Ik vergat de slang en moest als vanzelf lachen.

Dat was precies wat hij me had gezegd, de jongen. “De sterren zijn voor iedereen iets anders” zei hij, “De een navigeert erop, voor een ander zijn het niets dan kleine lichtjes. Voor weer een ander zijn het problemen, onontgonnen en onbekend terrein. En er is vast wel ergens een malle zakenman die zich voorhoudt dat ze van hem zijn, zijn bezit. Maar voor jou, en dat is mijn geschenk, is een van die sterren de plek waar ik woon en waar ik lach, dus lachen alle sterren je toe. En als dat je troost, en dat doet het, zul je zelf ook lachen en zul je blij zijn dat je me gekend hebt. Mijn vriend.”

Er ligt een graf in de woestijn. Je kunt het niet zien. De wind blaast het zand in steeds veranderende duinen. De nacht is daar wel hetzelfde gebleven met vijfhonderdmiljoen sterren die twinkelen. Hier worden iedere nacht de lantaarns ontstoken, veel sterren zie je dus niet.

Maar ik hoor ze als ik opkijk. De vijfhonderdmiljoen belletjes als de echo van dat ene kleine lachje. En om mijn arm draag ik de slang. Goud als koren in de zomerzon.

– Kaj van der Plas, september 2023

De pepermolen (gedicht)

DE PEPERMOLEN

Het eten smaakte niet lekker
want het smaakte een beetje flauw
Dus ging ik op zoek naar kruiden
die ik in het eten wou

Kruiden ruiken en smaken lekker,
kruiden geven je eten pit
Je eten wordt veel lekkerder
als er een kruid in zit

Ik zocht in de kast naar peper
omdat die lekker pittig smaakt.
Ik vond het potje peper
maar daarmee was iets raars.

Er zaten korrels in,
“zwarte peper” stond erop.
Maar de korrels in het potje
pasten niet door de dop.

En ik wil natuurlijk geen hele korrels
peper in mijn eten.
Stel dat ik op zo’n korrel bijt
dat voelt dan veel te heet.

Ik wilde peperpoeier,
hoe krijg ik dat voor elkaar?
Mijn grote zus die gaf een tip,
en ze zei: draaien maar…

Voel maar aan de bovenkant
dan merk je dat de deksel draait
en dat daarin een molentje
de korrels poeder maakt.

Het is een pepermolen
Want molens kunnen malen
en malen betekent kleiner maken
van grote materialen.

Dus maalde ik de peperkorrels
handig met de pot
Ik maalde en ik maalde
heel veel korreltjes kapot

Het malen was zo leuk
dat ik even was vergeten
dat ik peperkorrels maalde
voor over mijn eten

Dus toen ik uitgemalen was
de molen aan de kant
en een hapje eten nam…
mijn mond stond in de brand!

Hans en Grietje – een hervertelling

Er was eens een man die een grote steen op zijn rug droeg. Op een dag vroeg zijn zoon: Vader, waarom draag je die zware last?
De oude man zei: Het is traditie. Mijn vader deed het en zijn vader vóór hem. Op een dag, zoon, zul jij deze plicht ook hebben.
De jongen had zoveel medelijden met de pijn van zijn vader dat hij nauwelijks kon wachten om volwassen te worden, zodat hij de steen kon dragen. Uiteindelijk werd hij dat en toen de vader de last van zijn schouders op die van de jongen overbracht, gebeurde er iets hoogst verbazingwekkends.
De oude man rechtte zijn rug. Hij begon op te stijgen. Zijn voeten verlieten de grond en hij zweefde de lucht in. Hij keek naar beneden en zei: Vaarwel, zoon.
Vaarwel, vader.
Nu droeg de jongen het gewicht en raakte er al snel helemaal aan gewend. Toen ontmoette hij een aantrekkelijke vrouw die vroeg: Waarom draag je die steen?
Traditie. Mijn vader deed het en zijn vader vóór hem.
Laat die steen vallen, zei ze, terwijl ze haar hand op zijn wang legde. Ik heb iets beters voor je te doen.
Toen hij de steen losliet om haar te volgen het huis in, viel die op de grond en brak in honderd stukken. Ieder stukje een klein wit steentje.

Er leefden eens een broer en een zus. Als plichtsgetrouwe kinderen deden ze hun klusjes zonder klagen en aten het weinige dat hen werd aangeboden met dankbaarheid. Ze woonden bij hun arme vader en stiefmoeder aan de rand van een donkere kluwend bos.
Ze waren elkaars enige gezelschap.
Op die dag werden de kinderen door hun vader meegenomen, het bos in, om op zoek te gaan naar wilde paddenstoelen.
Blijf hier op mij wachten, zei hij, en glipte toen uit het zicht.
Ze waren geduldig, maar hij kwam niet terug. Het wachten leek een eeuwigheid. Het meisje begon zich zorgen te maken dat de nacht hun eerder zou vinden dan hun vader.
Broer, ik wil naar huis, zei ze.
Kijk eens naar dit steentje, zei de jongen. Ik heb genoeg steentjes voor al mijn zakken van de stapel bij de deur gehaald en heb de hele dag gekeken of er eentje bij zat dat zo glad en wit is als de maan. Deze is goed, maar niet de goeie, zei hij, terwijl hij het van zich af gooide.
Nu is niet de tijd voor stenen, zei ze. Hoe komen we thuis?
Nu is het, lieve zus, juist de tijd voor stenen. Kijk, hier is er eentje die ik heb weggegooid. En daar ligt er nog een. Ik wed dat ik elke steen kan vinden die ik heb laten vallen, en dat ze ons terug zullen brengen naar ons huis en onze familie.
En zo was het ook.

O, stiefmoeder was verbaasd om ze daar te zien staan, zo klein en verloren als achtergelaten jonge poesjes. Vader nog meer toen hij kwam, hij zei: Ongehoorzame kinderen, waar waren jullie nou? Ik dacht dat ik jullie had gezegd te wachten tot ik terug was. Ik zou jullie zonder avondeten naar bed moeten sturen, maar er is zo weinig te eten dat we allemaal toch met honger naar bed gaan, of we nu eten of niet. Maar op precies moment draaide iets op slot in het hart van stiefmoeder om en zij draaide het stevig dicht. Ze wist dat dat wat moeilijk was, in feite het beste was. Ze zouden beter af zijn zonder. Zonder deze behoeftige monden en groeiende lichamen. Zonder de noodzaak van nieuwe schoenen, zonder geklaag, zonder de troep. Zonder deze levende herinneringen aan de liefde van een andere vrouw.

Ooit was er overvloed geweest. Maar de dagen van vette worst, brood met een dikke korst en goudkleurig schuimend bier maakten plaats voor dagen van oud brood en een afgemeten glas. Toen was zelfs het bier op. De pap, ooit zo dik als cement, werd dunner totdat de bodem van de kom er doorheen zichtbaar was en zelfs de muizen hun interesse verloren.

Alleen Zus had gezien hoe stiefmoeder naar Broer keek. Hoe ze naar het bad kwam terwijl hij de harde spieren van zijn jeugd schraapte met de loogzeep, en naast de tobbe zat, met de spons in de hand, lachend dat hij spoedig een knappe man zou zijn. Maar deze avond was vader door die kamer gelopen, en Zus kon aan de manier waarop zijn glimlach verdween zien dat een verontrustend idee zich had geworteld en bittere vruchten droeg.

Ze ving op, hoe de moeder haar zaak bepleitte. Neem deze kinderen mee naar het bos en laat ze achter. Ze zijn oud genoeg om voor zichzelf te zorgen. We kunnen anderen hebben, van ons samen. Ze ving op, hoe vader vroeg wat stiefmoeder met de jongen had gedaan en onderbrak haar stamelende antwoord door ermee in te stemmen dat hij morgen op zoek zou gaan naar paddenstoelen. Ze waren het eens. Zus lag in haar bed te wachten op de morgenbegroeting van de haan, met tranen zoveel gehuild dat ze een verre herinnering waren.
Eén klein korstje brood was alles wat ieder van hen kreeg. Zus at de hare op, in stilte, zonder ervan te proeven. Vader veegde de pappot uit met de zijne en slikte hem in zijn geheel door. Stiefmoeder nam niets, maar zat vreemd naar de jongen te kijken. Broer zag de blik van stiefmoeder, bloosde en verliet de tafel met het brood nog in de hand.
Opnieuw keer het bos in. Opnieuw wachten op vaders beloofde terugkeer. Opnieuw te weten dat hij dat niet zou doen.
Broer had spoor van broodkruimels in de aanbieding, alsof dat hen in veiligheid zou brengen, maar het leidde alleen maar naar een vogel, en nog een, en een eekhoorn die even ernstig aan de harde korst zat te knagen als welke noot dan ook.
Verslagen door gewoonte, welke richting, wilde hij nu weten? Welk spoor? Het maakte voor haar geen verschil. Waarom de moeite nemen om terug te gaan? Er was daar geen welkom meer.

Er leefde eens een vrouw die in een andere tijd of plaats misschien wijs, of oudje, of metgezel zou zijn genoemd, maar omdat ze op zichzelf woonde en ergens achteraf, werd ze heks genoemd. Ze deed wat moest worden gedaan, kookte en bakte, vulde haar dagen met het perfectioneren van die kunsten en het versieren voor haar plezier, als niet voor dat van een ander.
Het was door een speling van het licht dat ze het nette huisje op de open plek zagen. Of het was een dwalend briesje dat de geur van de oven meebracht, gistbrood vervaardigd met gele roomboter en geglazuurd met een handje witte suiker. Zijn honger was allesoverheersend, hij klopte niet aan, vroeg niets en luisterde niet naar de waarschuwing van zijn zus dat het diefstal was. Hij nam gewoon het kleinste brood en ging onder de roze luiken zitten om zich vol te eten.
Neem het liever met boter en op een bord, zei een stem. Manieren en voorkomen, vergeet je manieren en voorkomen niet, jongeman. Ze keken op en zagen het witgeperste schort en de bleke lippenstiftglimlach. Martha, zei ze. Jullie mogen mij Martha noemen. Ze aten totdat ze niet meer konden. De vrouw bestudeerde het meisje voortdurend met haar blik, alsof ze de maat nam voor een jurk die nog niet gemaakt was, of alsof ze haar castte voor een rol in een toneelstuk dat nog niet geschreven was.
Op een avond dacht het meisje dat deze beter was dan stiefmoeder ooit was geweest. Ze luisterde. Ze leerde haar dingen. Hoe ze moest bakken en versieren. Gaf haar make-uptips. Kamde en krulde haar lange lokken. Kleedde haar in mooie setjes kleren. Deze vrouw had grootse plannen met haar. Deze wist wat het beste was. Was trots op haar. Wilde haar succes. Was de moeder die ze verdiende en die ze nooit had gehad.
Op een avond vroeg ze zich af waar Broer was. Ze was hem bijna vergeten. Hij was er geweest en… was hij weg? Was hij zonder haar vertrokken? Nee, waarschijnlijk niet. Hij at te goed, te vaak om van deze feesttafel te verdwijnen. Dus stond ze op en keek in de donkere hoeken en onder het bed. Ze vond hem in de kast, maar de deur wilde niet open.
Grietje, ben jij dat?
Ja, Hans, kom er eens uit.
Ik kan het niet. Ze zegt dat het voor mijn eigen bestwil is, maar ik kan hier niets anders doen dan eten en me dingen afvragen. Zich dingen afvragen, inderdaad. Grietje zei tegen haar broer dat ze dapper moest zijn, ze zou helpen.
Hoe?
Ze wist het nog niet, maar ze zou toch helpen.

Er was eens een oven. Rond als een bijenkorf, groot genoeg voor tien broden, de stenen dicht tegen elkaar gemetseld. Er was eens een oven die lied over as zong. Dat datgene wat voedzaam wilde zijn, zou moet veranderen. Het zong het vuur en zong de hitte, zong het brood bruin en de ijzeren deur dicht. Kom, riep de oven, kom naar mij en je zult getransformeerd worden.

Oh, lieve schat, maak de oven klaar. We hebben werk te doen. Ik kan niet wachten tot de jongen nog een dag dikker wordt. Hij moet maar genoeg zijn, en we zullen beter af zijn zonder. Zonder zijn gulzige mond en groeiende lichaam. Zonder de luie botten, zonder geklaag en zonder de troep. En zo ging Grietje eropuit om het vuur aan te steken en een plan te bedenken. Maar dat was er niet, of misschien was er maar één. Een vreselijke daad die moest worden verricht. Eén zou verloren gaan en één gered worden, en zij moest beslissen wie.

Oh, Martha, ik weet het niet zeker en heb je advies nodig. Is dit vuur heet genoeg? Kom kijken en vertel het me.

Er was eens een oven. Rond als een bijenkorf, de stenen gemetseld dicht tegen elkaar. Het zong het vuur en zong de hitte, zong de as en de ijzeren deur. Een duw was alles wat nodig was. En toen hij gevuld was, rees de rook donker op. Die hing in de bomen en vulde het woud met de geur van verbrand vlees, verbrande botten. Kom, schreeuwde hij, kom naar mij en je zult getransformeerd worden.

Hoe zullen we dit verhaal eindigen? Wat zou jou troosten? Zullen we ze op de rug van eenden laten klimmen om het meer over te steken? Naar huis laten gaan om te ontdekken dat stiefmoeder weg is en vader vol berouw? Zullen we ze in het kleine huisje laten blijven en leven van de opbrengsten van de dood? Zullen we ze door de wereld laten dwalen op zoek naar prinsen of koninginnen? Of zullen we zeggen dat ze de ene keuze hebben gemaakt en daarna de andere, en dat het beste waarop we kunnen hopen is dat ze uiteindelijk van elkaar hielden en voor elkaar zorgden?

Hervertelling door Loren Niemi, uit Inviting the Wolf In
Vertaling door Kaj van der Plas